De Parisienne

André Van Butsel · Chapitre 11 sur 40

Pages du PDF

De Parisienne

5 september 1971

 

Charlotte is mijn beste vriendin. De hele namiddag kleren gepast. We hebben ons zot gelachen. Ik draag elke dag mooie kleren. Dat moet van Lili. Heb wel 20 paar schoenen. Ik ben zo gelukkig.

 

OceanofPDF.com

7

Wat zullen we drinken zeven dagen lang

Wat zullen we drinken wat een dorst

Bots – Wat Zullen We Drinken

 

Het venster stond op een kier en het gordijn bewoog zachtjes heen en weer op een zacht briesje. Een straatlantaarn strooide oranje licht in de kamer. Hij sloop naar binnen, trok zijn ondergoed uit en gleed naast haar, de ogen gericht op het plafond. Nooit eerder zag hij een naakte vrouw in levenden lijve. Nooit eerder had hij er eentje aangeraakt, en nu lag hij hier naast deze blonde engel die hem vol passie had gekust. Hij voelde de warmte van haar rug tegen zijn zij en wilde haar aanraken, haar welvingen en valleien verkennen, dat heerlijke samenspel van hyperbolen en parabolen, convergerend en divergerend in volmaakte curves en raakvlakken. Zo lag hij daar, bloot, zo bloot als maar zijn kon, wellustig te contempleren, een geile monnik die van geen hout pijlen wist te maken.

Wat als ze wakker werd?

Hij zonk weg in dat half lucide moeras van illusies tussen bewustzijn en slaap, tussen gedachten en fantasieën die versmolten tot groteske droombeelden, een stadium waarin hij allang niet meer de kracht vond om terug te keren naar zijn kamer. In de verte hoorde hij een stem. ‘Wat krijgen we nu?’

Hij veerde recht.

‘Wat doe je in mijn bed?’

Hij keek geschrokken om zich heen. Verdomme. Wat deed hij in haar bed? Hij sprong eruit, grabbelde zijn ondergoed, hield het onhandig voor zich.

Ze nam zijn hand. ‘Blijf nog even. Ik kon toch niet goed slapen.’

‘Ik wilde je niets aandoen.’

‘Natuurlijk niet, maar … misschien mag je me wel iets aandoen.’

‘Dat ben ik absoluut niet van plan, mevrouw.’

‘Je hoeft me echt geen mevrouw te noemen hoor.’

Daar stond hij, een onderbroek als vijgenblad, zich verbergend voor haar pretoogjes, niet wetend wat te doen, zoals zo vaak de laatste tijd.

Ze greep zijn arm en trok hem in bed. ‘Ik bijt niet hoor.’

Hij vlijde zich naast haar. Ze nam zijn ondergoed en gooide het overboord.

‘Juffrouw Bianca, ik …’

‘Waarom kwam je naast me liggen?’

‘Ik weet het niet. Het kwam zomaar in me op.’

‘Rustig, rustig. Ik vind het zo lief van je.’

Ze kroop tegen hem aan en kuste hem onder zijn oor.

‘Misschien moeten we hiermee ophouden.’

‘Jij bent begonnen hoor.’

‘Ik weet het. Het spijt me vreselijk.’

‘Ben je al verliefd op mij?’

‘Ik denk het.’

‘Je bent niet zeker?’

‘Jawel.’

Haar hand gleed over zijn borst. ‘Heb je geen kou?’

Opnieuw wilde hij opstaan, opnieuw hield ze hem tegen. Haar ene been schoof omhoog, haar dij tot boven zijn knieën. De wreef van haar voet streelde de binnenkant van zijn kuiten. ‘Loop toch niet voortdurend weg, stoute jongen.’ Haar vingers dwaalden verstrooid van zijn borst over zijn buik, draaiden een kringetje rond zijn navel en kuierden verder naar omlaag. ‘Oei, wat hebben we hier?’

‘Oh, verdomme.’ Hij kreunde, gromde, kronkelde en kromde zich in duizend bochten. Nog geen minuut later kwam de verrukking die hij tijdens hun Abba moment had weten uit te stellen.

Ze legde haar hoofd op zijn zwoegende borst. ‘Dat was snel.’

Hij glimlachte.

‘De eerste keer met een meisje?’

Hij knikte.

Ze gleed uit bed. ‘Kom mee.’

Ze trippelde met hem naar de badkamer, zette hem onder de douche, reikte hem een handdoek. ‘Ik wacht op jou.’

Hij droogde zich af en keerde terug naar haar bed. Op haar nachtkastje brandde een sfeerlamp. Hij gleed onder de lakens en kroop tegen haar aan. Ze drukte haar warme lijf tegen het zijne, gaf hem speelse kusjes op de mond, streelde zijn rug en volgde met haar vingertoppen zijn ruggengraat, wat hem kippenvel bezorgde.

‘Het spijt me,’ zei hij.

‘Waarvoor?’

‘Zo dom.’

‘Geeft niet. De nacht is nog lang.’

Even later ging ze rechtop zitten. ‘Je mag me uitkleden.’

Hij trok het nachthemdje over haar hoofd en legde het naast het bed. Het gelige licht van de nachtlamp toverde haar huid om in vloeibaar goud. Ze gleed op haar rug, schopte de lakens achteruit en drukte haar heupen omhoog. ‘Alles.’

Hij gehoorzaamde, uiterlijk kalm, maar binnenin woedde een verzengende gretigheid. ‘Wat ben je mooi.’

‘Je mag me ook aanraken.’

Hij liet zijn vingertoppen over haar buik glijden.

‘Dat kriebelt. Ga op me. Ik wil je voelen.’

Hij deed wat ze vroeg. Ze nam zijn handen en voerde ze naar alle plaatsen waar hij even tevoren zo naar had gesmacht. Opnieuw ontvlamde zijn begeerte in alle hevigheid. Zijn schroom smolt weg. Diep in hem ontwaakte een dierlijke drift die zich duizenden jaren had schuilgehouden en die hem precies vertelde wat ze van hem verlangde. Zijn tong en zijn lippen zwierven stoutmoedig van haar vochtige mond langs de kloppende aderen in haar nek en vermaakten zich langdurig met haar borsten. Nooit eerder voelde hij iets gaver dan die licht glinsterende huid, fluweliger dan de kroonblaadjes van een roos, smakend naar honing en zout. Van daar ging het verder omlaag, over haar platte buik naar het donzige zuiden waar de zachtheid nog zachter was. Ze bracht zijn hoofd tussen haar opgetrokken benen, maakte kermende geluidjes en hij proefde hoe ze genoot.

Later keerde ze de rollen om, haar mond driftig, haar handen ijverig op plaatsen waar niemand hem ooit had beroerd. Ze begroef haar vingers in zijn vlees en fluisterde woordjes. ‘Wat ben je groot geworden, stoute jongen.’

Zoals ze hem jaren eerder de regel van drie had geleerd en de vervoegingen van être en avoir, leerde ze hem die nacht het eeuwenoude ambacht van faire l’amour. Alsof ze het haar roeping vond om van hem een mannenmens te maken, bracht ze hem keer op keer in een extatische roes tot hij razend gek werd. Toen het straatlicht versmolt met de eerste zonnestralen gaven ze zich over, in elkaar exploderend als kolkende brandingen, hun harten en zielen resonerend op onstuimige schokgolven van genot.

 

De zon stond hoog toen hij ontwaakte. Hij lag alleen in het enorme bed. Nog was zijn honger naar haar niet gestild. Hij begroef zijn gezicht in haar kussen, snoof haar wilde bloemengeur en voelde zich schaamteloos opgewekt. Hij stond op om haar te zoeken maar vond haar nergens. Op de keukentafel lag een brood. Er was boter, beleg en een thermos koffie. Hij at als een wolf en dronk de thermos helemaal leeg. Daarna nam hij een douche en verliet fluitend de flat.

 

In de namiddag ondernam hij een halfslachtige poging om de les wiskunde te volgen. Iets noteren van Serafinski’s hanenpoten deed hij niet. Cleopatra zat er weer hoogmoedig te wezen, nog stijver dan het zitje onder haar krent. Nu hij wist wat voor snertjong ze was, verloor ze al haar aantrekkingskracht. Hij hield zich ledig met het ontcijferen van de schunnigheid op de klaptafeltjes, een ware encyclopedie der perversiteit waaraan ook Klaas geregeld een bijdrage leverde. Na de pauze dook hij op naast hem. ‘Ik heb nieuws, kerel. Over jouw nonnetje.’

‘Ze is niet mijn nonnetje.’

‘Nee, dat kan je wel zeggen. Ze is het nonnetje van iedereen. Ken je haar koosnaampje?’

‘Nee, maar dat ga je me ongetwijfeld vertellen.’

‘Agent Orange.’

‘Ach. Nu zit ze al bij de geheime dienst.’

‘Je bent echt de grootste schlemiel van het heelal.’

‘Klaas, ik heb besloten om als een stoïcijn boven je beledigingen uit te stijgen.’

‘Wat doet Agent Orange?’

‘Weet ik veel. Russen omleggen?’

‘Ontgroenen. Het is een ontbladeringsmiddel.’

René kreeg een vreselijk gevoel.

Klaas lachte en gaf hem een duw. ‘Snappie?’

Was dat wat ze deed? Studenten ontgroenen? Was dat wat ze vannacht met hem had gedaan? Hem ontgroenen? Was dat wat ze deed met dat langharige hippietuig? In zijn hoofd explodeerde de kankerzweer die Klaas er even tevoren in had geplant.

‘Gaat het wel?’ Klaas besnuffelde hem. ‘Je ruikt naar haar.’

René duwde hem weg.

‘Ze kreeg je ook te pakken?’

René knalde het opklaptafeltje in de rail, stommelde over Klaas’ benen en verliet de aula, nagekeken door vierhonderd studenten en een professor met Poolse roots. Buiten, op de stoep twijfelde hij welke kant hij zou opgaan. Links, rechts, naar zijn logies, of meteen naar huis? Weg van dit klootjesvolk, weg uit deze klotestad.

Klaas daagde op naast hem.

‘Sorry René. Ik bedoelde het niet zo.’

‘Je bedoelt nooit iets maar intussen maak je alles kapot! Je verstaat als geen ander de kunst om van iets moois iets smerigs te maken.’

‘Het is toch niet mijn schuld dat mensen rondstrooien dat juffrouw Bianca met iedereen de koffer in duikt?’

‘Je zat je anders wel te verkneukelen.’

‘Ik ben een walgelijke vent. Ik zei het toch.’

‘Laat me gerust.’

‘Straks spring je in de Leie.’

‘Waarom zou ik?’

‘Nou ja, je eerste wip, en dan blijkt … Ik heb een ontzettend leuk idee.’

‘God sta me bij.’

‘We gaan naar het glazen straatje.’

‘Fantastisch. Hoe bedenk je het.’

‘Naar de hoeren kijken. Of naar een peepshow.’

‘Mijn hoofd staat momenteel niet zo op hoeren. En nog minder op peepshows.’

‘Nee. We hangen het beest uit in de Overpoort, op de fuif van de dokters. Ze kennen ons daar toch niet. Kan je wat verpleegsters aflebberen tijdens de kusjesdans.’

‘Meisjes zien me niet staan, zelfs niet tijdens een kusjesdans.’

‘Dan rest ons enkel de Groene Griek.’

‘Ik wil alleen zijn.’

‘We gaan ons bezatten. Punt.’

Klaas nam hem bij de arm, waarop René zonder tegenstribbelen volgde.

In de Groene Griek deden ze waarvoor ze kwamen: zich lam zuipen, als twee tempeliers na een veldtocht tegen Saladin. Om twaalf uur verkondigde Klaas dat hij wilde aansluiten bij de Revolutionaire Arbeidersliga.

‘Om wat te doen?’

‘Kapitalisten ontvoeren en doodmartelen.’

‘Je vader is een kapitalist.’

Klaas krabde zich de kruin. ‘Ik word hoe dan ook revolutionair.’

‘Heb je al een revolutie?’

‘Wij ingenieurs zijn de aanzwengelaars van het kapitalisme, de monteurs van de wapenwedloop, de herauten van de machtswellust. We moeten in opstand komen.’

‘Ga je gang. Kunnen we allemaal rondrijden in een Duxmobil.’

‘Ingenieurs zijn de narren van tirannen en dictatoren. De politiek leunt met één been op de wetenschap.’

‘En met het andere?’

‘Eikel.’

Om één uur griende Klaas om Martien, om twee uur huilde René om Bianca, en om drie uur jankten ze samen om alle onrecht hun door de meisjes aangedaan, waarop Klaas het paradigma lanceerde dat de wereld werd bevolkt door tyfushoeren en peeswijven die er hun levensdoel van hadden gemaakt om nietsvermoedende onschuldige jongelingen in het verderf te storten. Dat was het moment waarop de kroegbaas, die er niet uitzag als een Griek, laat staan een groene, het op zijn heupen kreeg en Klaas aan een arm naar de voordeur loodste.

‘Papadopoulos, fikken van m’n lijf,’ riep Klaas.

‘Lange, als je je mond niet houdt, sla ik hem dicht.’

‘Hoho, niet zo aandringen, ondankbare gastarbeider. Ik waarschuw je, ik heb connecties in de hoogste kr…’

Een minuut later stonden ze allebei op de stoep.

‘Heb ik die vuile Griek eens flink de waarheid gezegd.’

‘Volgens mij is het niet eens een Griek. Het is een metafoor.’

‘De metafoor van de Groene Griek?’

‘Groe-ne-Griek. Klink toch goed.’

‘Je lult uit je nek, Nieuwelinck. Het is een allita… attila…’

‘Alliteratie. We vertrekken. Je tong slaat dubbel.’

‘Heb je Calvados?’

‘Ja.’

‘Nieuwelinck, je bent een waarachtige gabber.’

Daarop waggelden ze elkaar ondersteunend naar huis. Wat verder sloeg Klaas luidkeels aan het zingen: ‘Ik hou van alle vrouwen, …’

‘Hou op, wil je.’

‘… mijn hart is veel te groot.’

Honderd meter verder ging het crescendo: ‘Wat zullen we drinken, zeven dagen lang - wat zullen we drinken, wat een dorst’.

‘Klaas, dit lijkt nergens op.’

‘Dan zullen we werken, zeven dagen lang …, nee, daar wachten we nog even mee.’

Op de trap kwamen de klanken van Blowin’ in the wind uit de kamer van Jean. Klaas wilde aankloppen maar René sleurde hem net op tijd achteruit en opende zijn kamerdeur. ‘Het is nu geen uur meer voor optredens.’

Klaas rolde zich met kleren en al in het tapijt. ‘Weet je, Nieuwelinck. De wereld zou beter af zijn zonder wijven.’

‘Wat hebben mannen dan nog om naar te verlangen?’

‘Boeddhisten verlangen naar niets.’

‘Naar niets verlangen is ook een verlangen.’

‘Oké, de wijven mogen blijven.’

René kon de slaap niet vatten. Zijn teleurstelling in Bianca was immens. Eindelijk had hij iemand, en dan bleek ze … Zoiets zou Gina hem nooit hebben geflikt. Hij knipte het licht aan, nam het medaillon en klapte het open. In een opwelling stond hij op, nam zijn passer van zijn bureau en prikte er het fotootje uit. Er stond iets op de achterkant. Hij was op slag bloednuchter.

 

OceanofPDF.com