De Parisienne
Chapitre 20
And that’s the price of love, the price of love
A debt you pay with tears and pain
Bryan Ferry – The Price of Love
Hij droeg zwarte jeans, een donkergroene bomberjack en een zwarte motorhelm met opengeklapt vizier. Hij sloot de deur en bekeek de aanwezigen. Zijn blik bleef lange tijd rusten op Sophia. Hij wees naar de deur. ‘Idoia.’
Idoia verborg zich achter Gina.
Hij herhaalde, rustig, vriendelijk bijna: ‘Idoia, fuera.’
Gina zei iets in het Spaans tegen de man. Ze leidde het meisje naar de deur, er zorg voor dragend uit zijn buurt te blijven. Toen ze de deur opende, schopte hij het meisje naar buiten.
‘Akil!’
René en Sophia veerden recht van hun stoel.
‘Perra,’ gromde hij. Hij trapte de deur dicht en vroeg iets in het Spaans aan Gina. Ze antwoordde in het Frans: ‘Vrienden uit België.’
Hij schakelde ook over op Frans, op dezelfde kalme toon waarmee hij het meisje de deur had gewezen. ‘Wat doen ze hier?’
‘Ze zijn op vakantie en brengen mij een bezoek.’
Hij ging vlak voor Sophia staan en hield het hoofd schuin, als een tijgerkat die een prooi observeert. ‘Wat is dit?’
‘Mijn zus Sophia.’
‘Blijft het overnachten?’
‘Waarom doe je je helm niet af?’
Hij vervolgde, onbewogen, zijn stem gedempt door de helm, vlak voor Sophia’s gezicht, alsof hij een sprookje vertelde aan een kleuter. ‘Hoe weten ze ons adres? Gina?’
Gina aarzelde.
‘We vroegen het op het stadhuis,’ zei Sophia.
‘Kijk eens aan, het spreekt.’
‘Inderdaad, in tegenstelling tot sommige holbewoners in deze kamer spreek ik drie talen.’
Hij lachte. ‘Op het stadhuis, zei je?’
‘Ja.’
‘Dus jij’ – hij duwde met een wijsvinger een sliertje haar van voor haar ogen – ‘vroeg op het stadhuis mijn adres?’
‘Ja.’
Hij streek met een vinger in de glooiing tussen haar borsten. ‘En ze gaven het zomaar aan jou?’
Ze gaf een klap op zijn hand. ‘Poten thuis.’
‘Ho ho. Een vinnig katje. Zo te zien nog kattiger dan jij, schat.’
‘Je bent gewaarschuwd,’ zei Sophia.
‘Ik kreeg je zus ook klein hoor, brutaal nest.’
‘Stoer hoor. Vrouwen en kinderen slaan.’
Hij stak opnieuw een vinger uit. ‘Ik vroeg je wat.’
Opnieuw sloeg ze zijn hand weg. ‘Kan je nog even herhalen? Je brabbelt nogal in die stomme helm.’
Hij kneep in haar kin. ‘Ik vroeg of die lui op het stadhuis ons adres kenden.’
René ging naar Akil, maar Gina hield hem tegen. ‘Ik stuurde een brief,’ zei ze.
Akil duwde Sophia’s hoofd achteruit en richtte zich tot Gina, de handen in zijn zij. ‘Je stuurde een brief?’
Ze knikte.
‘Gaf ik toestemming om brieven te schrijven?’
Ze keek in de grond.
‘Gina, gaf ik toestemming om brieven te schrijven?’
Ze schudde haar hoofd.
‘Moet ik je weer straffen?’
Opnieuw dat haast onmerkbare heen en weer bewegen van haar hoofd.
‘We deden gewoon rondvraag,’ zei René.
Akil ging nu pal voor René staan. René zag door het open vizier enkel de haaienogen.
‘Wie is deze klojo?’
‘Een vriend,’ zei Gina opkijkend.
‘Ach zo, een vriend. Wat zei je ook alweer? Vriend.’
‘We deden rondvraag.’
‘In een stad met meer dan honderdduizend inwoners deed je rondvraag naar mij?’
‘Juist.’
‘Viel het mee?’
‘Hij heeft hier niets mee te maken,’ zei Gina.
‘En toch staat hij hier pal in mijn woonkamer. Ik vroeg of het meeviel, dat rondvragen.’
‘We waren net begonnen.’
‘En boem!’ hij klapte met beide handen vlak voor Renés gezicht. ‘Je had prijs.’
René raakte vreselijk ongerust. ‘We hadden geluk.’
‘En bij wie deed je zoal rondvraag?’
‘Bij de Guardia Civil.’
‘Ach zo. De Guardia Civil? Waren ze een beetje behulpzaam?’
‘Er was een misverstand, maar dat werd snel opgelost.’
Akil priemde met een wijsvinger tegen Renés voorhoofd. ‘Een misverstand? Hoezo?’
René sloeg zijn hand weg. ‘Ze zagen Sophia aan voor Gina. Ik maakte hun duidelijk dat Gina een litteken heeft en Sophia niet.’
‘Een litteken?’ Hij keek naar Gina, naar Sophia en terug naar René. ‘Nu je het zegt.’ Hij klapte het vizier dicht, helde met het hoofd achterover en gaf René een verschroeiende kopstoot. René zwijmelde en viel achterover. Alles werd zwart.
Akil schopte tegen zijn voeten. ‘Wat vind je daarvan? Vriend.’
Sophia vloog naar René en viel op haar knieën naast hem. Ze trok aan zijn arm om hem op de been te helpen, maar Akil sleurde haar aan de haren omhoog en kieperde haar over de tafel, met een gemak alsof ze niet zwaarder woog dan een konijn. Ze sloeg aan de andere kant met het hoofd tegen een radiator en viel bewusteloos neer. Het naaipatroon warrelde in flarden op de grond.
Gina vloog naar Akil en sloeg met beide handen op zijn helm. ‘Nu ga je te ver!’
Hij omklemde haar polsen. ‘Wat was het nu precies, Gina? Een brief, het stadhuis of de Guardia Civil?’
‘Wat maakt het uit?’
‘Stelletje verraders.’ Hij keilde Gina ook over de tafel waar ze aan de andere kant bovenop Sophia belandde.
René, bij wie de duisternis intussen weer wat opklaarde, kroop recht en greep Akil met beide handen onder zijn helm bij de keel. Ze struikelden en vielen allebei op de grond. De helm rolde onder tafel.
René voelde meteen de oerkracht van de man. Instinctief klemde hij een arm om Akils nek en kneep zijn hoofd tegen zijn borst. Tot een snerpende pijn door zijn sleutelbeen sneed en hij zijn belager losliet. Akil gaf René een vuistslag, stond op en schopte hem herhaaldelijk in de ribben. Toen vloog de deur open. Idoia stormde naar binnen. Ze wees ontzet naar het deurgat.
Akil priemde een vinger naar Gina die aan de andere kant van de tafel recht krabbelde. ‘Smerig wijf, dit zet ik je betaald.’ Hij gaf René een laatste trap, griste zijn helm, opende het grootste van de twee ramen, klom naar buiten en klauterde via de brandtrap naar omlaag. Een paar seconden later wemelde het groene schimmen in de kamer. Van beneden klonken knallen. Toen gingen bij René de lichten uit.
Hij werd wakker in een ziekenhuisbed. Naast hem lag Sophia, ook in een bed, een zwachtel om het hoofd, met grote ogen naar hem te koekeloeren. Op de gang, links van de openstaande kamerdeur zag hij de groene arm van een agent. Hij hief het laken op. Eronder was hij naakt op een schortje en een onderbroek na.
‘Eindelijk ben je terug. Hoe is het met het kopje?’ vroeg ze.
‘Alsof er een tank is tegen gereden.’
Ze glimlachte.
‘Waar is Gina?’ vroeg hij.
‘Geen idee.’
‘Wat is er met je hoofd?’
‘Lekgeslagen.’
‘Doet het pijn?’
‘Valt mee. Ik kreeg een inspuiting tegen de pijn. Jij ook trouwens.’
‘Enig idee hoe we hier zijn beland?’
‘Nee. Het ene moment knielde ik naast jou toen je die kopstoot kreeg. Het volgende moment lag ik in een bed en schenen ze met een zaklamp in mijn ogen. Herinner jij je nog iets?’
‘Wat mistige beelden van groene mannen met zwarte koppen en een brancard in een ambulance.’
De agent hoorde hen praten en keek om. Hij glimlachte schaapachtig. Het was de man die Sophia aan de haren had getrokken tijdens hun verhoor eerder die dag.
‘Señor,’ riep Sophia.
‘Señorita?’
Ze maakte een drinkgebaar. ‘Thirsty.’
De man wist zich geen raad en hield zich doof.
‘Señor, por favor.’
Hij kwam binnen, nam het glas op het kastje naast haar bed, vulde het met water en gaf het haar.
‘Gracias, señor.’
René lachte en kreeg als dank enkele grimmige pijnscheuten in zijn ribben. ‘Hoelang moeten we hier blijven?’
Het antwoord wandelde op dat moment naar binnen, in de persoon van een kalende dokter, gevolgd door een verpleegster. De man deed zijn best om in het Frans uit te leggen dat ze een nacht moesten blijven ter observatie. De verpleegster vroeg of ze honger hadden. Hij beaamde want ze hadden de hele dag niet gegeten. Ze gaf hun allebei een pilletje en verliet de kamer. Een kwartier later kwam ze terug met sandwiches met kaas en een fles water. Sophia nam een hap en spuwde het meteen terug uit.
‘Slechte sandwich?’
‘Zure kaas.’
Ze slikten de pilletjes door met het water.
‘We hebben haar gevonden,’ zei hij.
‘Ik kan het haast niet geloven.’
‘Ze zag er vreselijk uit.’
‘Op die foto was ze zo mooi. En nu …,’ ze slikte. ‘De schuld van die smeerlap.’
René zag het tafereel in het appartement weer voor zich. Hij voelde aan zijn voorhoofd waar een enorme bult zat. Hij keek naar Sophia. ‘Zijn we geen fantastisch duo?’
Ze glimlachte. ‘Zal wel. De onkreukbaren.’
Op hun rug observeerden ze het plafond, luisterend naar elkaars ademhaling.
‘We slapen alweer bij elkaar,’ zei ze na een hele tijd.
‘Zal ik een andere kamer reserveren?’
‘Hoeft niet.’
‘Je gooit nergens mee?’
Ze keek rond. ‘Niets leuks om mee te gooien.’ Kort daarop gleed ze uit bed, stond even te duizelen en kwam naar hem toe, in eenzelfde schortje als dat van hem. In haar ogen sprankelden vuurvliegjes. Ze glimlachte vertederd. ‘Schuif op.’
‘Auw!’
‘Oei, doet het pijn?’
‘Alles doet pijn. Mijn ribben, mijn armen, mijn nek, mijn hoofd. De ploert dacht dat ik een rugbybal was.’
‘Arme René.’ Ze kroop naast hem en kuste zijn wang.
‘Auw, Sophia. Ribben!’
‘Tja, ribben, waar heb je die voor nodig. Schuif op.’
Hij deed wat ze vroeg. ‘Wat ben je van zin.’
‘Ik wil gewoon bij je zijn.’
‘Dit is een ziekenhuis.’
Ze voelde aan de pleister op zijn sleutelbeen. ‘Wat is dit?’
‘De hondsdolle zot heeft me gebeten.’
Ze streelde zachtjes over de pleister, daarna over zijn borst. ‘Ik zal voorzichtig zijn.’
‘Sophia, hou op. Er zit daar een agent.’
Ze begon te hijgen.
‘Sophia?’
Nog meer gehijg.
‘Waar ben je mee bezig?’
‘Aah, aah, aah.’
‘Sophia, heb je pijn?’
‘Ooh, ooh, ooh.’
‘Verdomme, wat heb je?’
‘Yes, yes, yes!’
De agent stond op en sloot de deur.
Ze giechelde. ‘Zo, nu zijn we alleen.’
‘Je bent door en door slecht. Weet je dat?’
‘Klinkt bekend.’ Haar hand vond een doorgang onder zijn schortje.
‘Lig stil, wil je. Dadelijk val ik er aan de andere kant uit.’
‘Laat me je verwennen.’
‘Hoeft niet.’
‘Je hebt me toch ook verwend toen ik het nodig had.’
‘Ik heb koppijn.’
‘Je praat als een vrouw in de overgang.’
‘Sophia, dit doe je niet met een weerloze man met gebroken ribben en een schedelbreuk.’
‘Doe je ogen dicht en denk aan Bianca.’ Ze stak haar tong in zijn oor.
‘Dat kietelt.’
Ze draaide zijn hoofd en kuste hem. Haar hand gleed verder naar omlaag. ‘Vind je het leuk?’
‘Ja.’
‘Dan is het goed.’
‘S… Sophia, dit kan je niet doen.’
Ze trok haar schortje tot onder haar kin en wurmde zich nog wat dichter tegen hem aan. ‘Zeg als ik moet stoppen.’
‘Gaat niet.’
‘Waarom niet?’
‘Ik kan niet remmen in volle sprint.’
Ze draaide zich om en nam een tissue uit een doosje naast het bed. ‘Wacht nou even.’
‘Je bent geschift.’
‘Weet ik.’ IJverig trok ze de spurt aan. Kreunend schoot hij over de eindmeet. Vreemd hoe de pijn even helemaal wegtrok, om daarna in alle hevigheid terug te meppen. Ze gaf hem natte zoentjes op zijn wang. Daarna trok ze zich terug in de badkamer. Een tijdje later kroop ze naast hem.
‘Je hebt er zelf niets aan gehad,’ fluisterde hij.
‘Toch wel.’
‘Waar bleef je zolang?’
‘Moet ik je echt alles uitleggen?’
Hij glimlachte. ‘Erg sexy, dat schortje.’
‘Die bult op je kop staat je ook best goed. Net een neushoorn.’
‘Gestoord vrouwmens.’
Ze kropen in elkaars schoot en vielen in slaap.
Toen René ontwaakte, stonden Gina en commandant Fermin naast het bed. Hij stootte Sophia aan. Ze wurmde zich als een krolse kat rond hem.
‘Sophia, we hebben bezoek,’ fluisterde hij.
Ze knorde. ‘Zeg dat ze weggaan.’
‘Gina, met hotelbaas Fermin.’
Ze opende de ogen en draaide zich om. ‘Wat doen jullie hier?’
‘Wat doen jullie in één bed?’ vroeg Gina met een vermoeide stem.
‘Hij had het koud,’ antwoordde Sophia. Ze kroop recht en trok het laken tot onder haar kin. ‘Wil je aan Fermin vragen om weg te gaan? Zijn ogen zijn me zowat aan het verscheuren.’
Daarop kwam de arts binnen. Hij zei iets in het Spaans tegen Fermin die prompt de kamer verliet. Hij sprak een hele tijd met Gina die ondertussen met een gefronst voorhoofd het tweetal in de gaten hield. Daarna liet hij hen alleen.
‘Wat zei hij?’ vroeg Sophia.
‘Dat jullie verbazend snel recupereren. Jullie hebben allebei een lichte hersenschudding. Doe maar rustig aan de volgende dagen.’
‘Wat met mijn gebroken ribben?’ vroeg René.
‘Ze zijn alleen gekneusd.’
Een verpleegster kwam binnen. Gina verliet de kamer.
‘Is die met het verkeerde been uit bed gestapt,’ zei Sophia.
‘Volgens mij heeft ze vannacht niet eens een bed gezien.’
De verpleegster bekeek de buil op Renés voorhoofd en duwde erop, wat hem een kreet van pijn ontlokte. Ze smeerde er een scherpriekende zalf op. Ze verwijderde de pleister op zijn sleutelbeen, ontsmette de wond en legde er een nieuwe op. Tot slot gaf ze hem een injectie. Daarna bekeek ze Sophia’s hoofd. Ze verwijderde de bebloede windsels, spoot ontsmettingsvloeistof op de wonde en omzwachtelde haar hoofd met een nieuw verband. Ook zij kreeg een injectie. Ze gaf hun allebei een doosje met vijftien pilletjes met de boodschap er elke dag drie te nemen. Ze nam de vuile bandages en verliet de kamer.
Gina kwam terug met de rugzakken. ‘Kleed jullie aan. We vertrekken.’
De commandant wachtte hen op in zijn Ranger. De adjudant nam hun rugzakken en gooide ze in de kofferbak, waarop ze vertrokken.
‘Wat gebeurt er?’ vroeg Sophia onderweg.
‘Straks,’ zei Gina.
Fermin stopte voor een laag stationsgebouw met donkerrode muren. De agent ging naar binnen en kwam even later terug met treintickets.
‘Neem jullie bagage en volg mij,’ zei Fermin.
Ze stapten uit en namen de rugzakken uit de koffer. Gina sleepte er een aftandse koffer uit. René en Sophia stonden versteld.
‘Je gaat mee?’ vroeg Sophia.
‘Ja.’
Sophia vloog haar zus om de hals. René glunderde.
‘Wacht daar nog even mee tot we over de grens zijn.’
‘Ik kan het niet geloven,’ zei Sophia.
‘Kom, de commandant wacht.’
Ze begaven zich naar het perron waar een dieseltrein stond te dreunen, klaar voor vertrek. De commandant wapperde met de treintickets. ‘Hier heb je drie tickets naar Hendaye in Frankrijk. Daar nemen jullie de trein naar huis. Begrepen?’
René nam zijn geldbuidel.
‘Laat dat, de trein vertrekt over vijf minuten. Ik wil jullie nooit meer terugzien. Gesnapt?’
Ze knikten.
‘Als ik jullie hier ooit nog zie, …’
‘… komen we bij jou op vakantie,’ zei Sophia. Gina bekeek haar verbolgen.
‘Ooit meisje, kom jij nog zwaar in de problemen met je brutale tong,’ zei de commandant.
Sophia liep rood aan.
‘Ik moet jullie nochtans bewonderen. Wat jullie deden voor mevrouw Ferrara is buitengewoon. Echte vriendschap zie je niet vaak. Jullie verkeerden in groot gevaar. Mevrouw Ferrara, hier heb je mijn gegevens. Als er in België lastige vragen worden gesteld over uw verblijf in Spanje, mag je mij contacteren.’ De commandant overhandigde Gina een kaartje. ‘Waar kan ik jullie bereiken?’
‘Een ogenblik.’ Sophia krabbelde haar telefoonnummer en adres op een stukje papier en gaf het aan de commandant.
‘Wil u dit ook bezorgen aan Idoia en haar moeder?’ vroeg Gina.
‘Komt in orde.’
Gina gaf de man een hand. ‘Bedankt voor alles, commandant.’
Daarna deden Sophia en René hetzelfde. De adjudant, een eindje verderop, kreeg een laatste knipoog van Sophia. Daarna stapten ze in. René glimlachte bij de laatste woorden van Fermin: ‘Belgas locos.’
Ze namen plaats in een coupé.
‘Gina, ga je ons nog bijpraten?’ vroeg Sophia.
‘Straks.’
‘Dat zeg je nu elke keer.’
Sophia keek naar René. Hij schudde het hoofd. Gina sloot de ogen.
Een uurtje later stapten ze uit op het station van Hendaye. René haalde tickets en ze namen de trein naar Bayonne. Gina keek de hele rit dromerig naar buiten en zei geen woord. De anderen lieten haar gerust. In de loop van de voormiddag arriveerden ze.
Op weg naar de loketten begon Gina te wankelen. René ving haar op en loodste haar naar een zitbank. ‘Wat is er?’
‘Ik heb al dagen nauwelijks gegeten of geslapen.’
Hij kocht enkele in plasticfolie verpakte driehoekige boterhammen en enkele flesjes water. Hij verwijderde de folie en stak een boterham in haar mond. Ze kauwde langdurig en slikte erg moeizaam.
‘Drink eens.’
Na één boterham had ze genoeg. René en Sophia aten de rest op. Hij ging naar de lokettenzaal en kwam terug met de boodschap dat er kort daarop een trein vertrok naar Parijs.
Ze kozen de achterste wagon. Gina legde zich neer met haar hoofd op de reistas. ‘Wek mij als we Parijs naderen.’
‘Wat denk je?’ vroeg Sophia toen ze sliep.
‘Ze moet een verschrikkelijke tijd achter de rug hebben.’
Sophia observeerde een tijdlang haar slapende zus. Met een bedrukt gezicht vlijde ze zich neer aan de overkant van het gangpad.
René keek vol droefheid naar het broze vrouwtje rechtover hem. Hoe ze daar lag, bleek, beschadigd, uitgehongerd, geslagen. Een wegkwijnende bloem, verstoken van water en licht. Ze droeg nog steeds het aftandse jurkje onder haar jas. Hoe was ze in deze nachtmerrie beland? Kwam ze er ooit weer bovenop? Aan de overkant van het gangpad lag Sophia, in volle bloei, betoverend mooi in haar slaap, ondanks het lachwekkende verband om haar hoofd. Hij ging liggen en dommelde in met de gedachte dat het leven wel degelijk een cynische grap met hem uithaalde.
OceanofPDF.com