De Parisienne

André Van Butsel · Chapitre 24 sur 40

Pages du PDF

De Parisienne

Chapitre 16

Quand il me prend dans ses bras

Il me parle tout bas

Grace Jones – La vie en rose

 

Ze stonden vroeg op en vertrokken te voet naar de Route Nationale richting Pyreneeën. Ze kregen de ene na de andere lift en tegen de middag bereikten ze Tarbes. Ze aten in de lommer van een oude eik op de Place du Général De Gaulle, met uitzicht op de kathedraal.

Ze wees naar het naamplaatje van het plein. ‘Zouden er steden bestaan in Frankrijk zonder een Avenue of Place De Gaulle?’

‘Daar zeg je wat. De generaal is overal.’

‘Net zoals, kerken, kastelen en kathedralen. Je vraagt je af wie die allemaal heeft gebouwd.’

‘Gewone mensen zoals jij en ik die zich kapot hebben gewroet ter ere van de heilige Roomse Kerk.’

Ze plooide de routekaart open. ‘Zin om een zijsprongetje te wagen naar Lourdes?’

‘Goed idee. Mijn schoenzool zit los.’

Ze vouwde de kaart toe en klapte ermee op zijn schouder. ‘Om er te bidden voor je zondige ziel. En die van Bianca. In de middeleeuwen waren jullie ook gemarteld en levend verbrand.’

‘Jij ook.’

‘Waarom ik?’

‘Omdat je een gestoorde heks bent.’

Ze gaf hem nog een klap. ‘Niet naar Lourdes?’

‘Niet naar Lourdes.’

Ze stond op, ging vlak voor hem staan, geeuwde en rekte zich uit. ‘Op naar Biarritz.’

In de namiddag, net voorbij Pau, werden ze opgepikt door een kaal mannetje in een rammelende bestelwagen. De man stelde honderden vragen en hield zich in tegenstelling tot de meeste Fransen absoluut niet aan de snelheidsregels. Een hevige stortbui dwong hem tot langzamer rijden. Onnozel giechelend zocht hij naar het hendeltje van de ruitenwissers en reed ondertussen van de ene kant van de weg naar de andere. Sophia, de kruk van het portier in de hand, keek vol afgrijzen naar René. Uiteindelijk stopte het mannetje aan de zijkant van de weg om naar het bewuste hendeltje te zoeken want niemand zag nog een steek voor ogen. Sophia sprong uit de wagen. René riep een afscheid en volgde haar naar een bushokje wat verderop. Luttele seconden later waren ze druipnat.

Ze rilde als een rietstengel. ‘Die kerel heeft die wagen gestolen.’

De man reed terug de weg op, nog altijd zonder ruitenwissers, en loste op in de pletsende regen. Ze wachtten in het bushokje tot het ophield. Daarna hervatten ze de etappe.

In de late namiddag bereikten ze Bayonne onder een wolkeloze lucht en een stralende zon. Ze waren intussen allebei droog. René opende zijn rugzak om er een snack uit te halen en kokhalsde van de walgelijke stank van een restje camembert dat zich al een tijdje schuilhield tussen wegenkaarten, vuil ondergoed en klamme kleren. ‘Sophia, we moeten in bad, we stinken, en onze kleren ook. Straks hebben we allebei het schurft.’

Ze stopten bij een bord met het stadsplan van Bayonne om vast te stellen dat de stad naadloos overliep in de naburige tweelingstad Biarritz. Het was er razend druk en liften was ondoenlijk.

‘Blijven we hier overnachten?’ vroeg ze.

‘Nee, ik wil naar zee.’

‘Nemen we een bus?’

‘We gaan te voet. Dit laatste stuk kan er nog wel bij. Wacht hier even.’ Hij ging een bank naar binnen om wat Frans geld om te wisselen in peseta’s. Daarna vertrokken ze. Na iets meer dan een uur proefden ze de zeelucht en een kwartier later genoten ze afgepeigerd van het zicht op de Atlantische Oceaan.

Ze kneep in zijn hand. ‘We hebben het gehaald.’ Haar ogen glansden. Ze wreef ze droog. ‘Van de wind,’ zei ze.

Ze namen plaats op een steiger, keken naar de zee en dronken van het lauwe water uit hun rugzak. Zijn benen wogen honderd kilo en hij zou er niet mee hebben ingezeten om er ter plaatse te overnachten. Een half uur later vertrokken ze naar de dichtstbijzijnde jeugdherberg. Ze douchten zich uitgebreid, wasten hun vuile kleren en hingen ze met de rest van de kleffe spullen aan enkele lege stapelbedden. Daarna vertrokken ze naar La Grande Plage. Op het terrasje van een crêperie aten ze een pannenkoek met spiegelei, kaas en tomaat.

‘Je raadt nooit hoe deze straat heet,’ zei ze.

‘Je meent het.’

‘Jawel. Boulevard du Général De Gaulle.’

‘Mon Général was waarlijk een groot man.’

Hij zag hoe het haar smaakte. Het stemde hem blij. Ook de wijn liep vlotjes naar binnen. Ze droeg een donkerrode bloes en geurde naar rozen.

‘Hoe kom je aan zoveel geld?’ vroeg ze.

‘Ik heb zo mijn sponsors. Moeder gaf me geld, Bianca kocht mijn uitrusting en Klaas, wiens vader industrieel is, deed er nog een flinke schep bovenop.’

‘Gelukzak. Bij ons thuis wordt elke frank in tweeën gebeten.’

‘Bij ons ook, maar deze keer had ik geluk.’

‘Je hebt toffe vrienden.’

‘Hoe zit het met jouw vrienden?’

‘Heb ik niet.’

‘Een vriendje?’

‘Nee. We leven als paria’s. Je zag ons huis, onze straat, mama. Daar neem je niet gauw iemand mee naartoe.’

‘Wat doe je na de zomer? Werken of verder studeren?’

‘Ik wil rechten studeren. Latijn is een goede basis. Latijn is voor de taal wat wiskunde is voor de wetenschap. Dat zei mijn leraar altijd. Wat studeer jij?’

‘Ingenieur. Het eerste jaar was een ramp. Ik moet iets anders gaan doen.’

‘Als we nu eens rondvraag deden naar onze modekoning?’

‘Goed idee.’

Ze ondervroegen de stelletjes op het terras. Geen van allen was bekend met de modewereld.

‘Nou, zo’n beroemdheid is het blijkbaar niet.’

René rekende af. Daarna kuierden ze naar het strand waar ze gingen zitten in het rulle zand. Een Noord-Afrikaanse man en een gesluierde vrouw met drie kinderen liepen met blote voeten tot aan de golfslag.

Met de armen rond haar opgetrokken knieën vertelde Sophia over thuis, over Claudia die graag een vriendje wilde, over haar moeder die nooit het huis uitkwam, over zichzelf, hoe ze jarenlang instond voor het huishouden.

René kreeg enorm veel bewondering voor de opofferingen die ze zich had getroost. ‘Je doet het fantastisch, Sophia.’

‘Ik had geen echte jeugd.’ Ze keek dromerig naar het spelende gezinnetje. ‘Ik begrijp nog altijd niet wat papa bezielde om mama en Gina zo te … mishandelen. Soms denk ik dat we verdoemd zijn.’

‘Zelf dacht ik dat ook na de dood van mijn vader en broer. Zulke gedachten zijn zinloos. Je vader was een alcoholist die een zware inzinking kreeg. Dat had niets te maken met jullie.’

‘Herinner je je nog de bewuste nacht?’

‘Alsof het gisteren was.’

‘Nadat jij de hulpdiensten had gebeld en naar huis was gerend, ging ik naar beneden bij mama. Ik dacht dat ze dood was. Ik bleef bij haar tot de ambulance kwam.’

Hij sloeg een arm om haar schouders. ‘Dat moet vreselijk zijn geweest.’

Ze keek naar hem op. Tranen rolden over haar wangen. ‘Ik word er ’s nachts nog altijd wakker van. Mama’s bloed, die vreselijke wonden in haar gezicht en op haar armen, haar oog … Alsof ze was verscheurd door wilde beesten. Soms vraag ik me af of ze niet beter … niet beter … was doodgegaan.’ Ze verborg haar gezicht tegen haar opgetrokken benen en huilde onbedaarlijk.

Hij trok haar tegen zich aan. Het tafereel dat ze beschreef stond hem nog levendig voor de geest. Al die jaren was hij fier geweest Lea’s leven te hebben gered. Het viel hem hard te horen dat haar eigen dochter haar leven in vraag stelde. Had hij Lea moeten laten doodbloeden? Nee. Hij had zijn plicht gedaan. Dat Lea nu als een kluizenaar leefde was haar keuze. Daar had niemand schuld aan, behalve Rufus, haar man. Hij gaf Sophia een verse zakdoek.

‘Waarom … val ik jou … daarmee lastig?’ snikte ze.

‘Waarom niet?’

‘Ik durfde dit nooit eerder aan iemand vertellen.’

‘Praten is goed. Dat lucht op. Vroeg of laat zie je het met andere ogen.’

Ze rilde. ‘Wat een huilebalk.’

‘Laten we terugkeren. Het wordt fris.’

Bij aankomst in de jeugdherberg hadden ze allebei kippenvel. Ze gingen naar de eetzaal waar het warm was. ‘Tijd voor een opkikkertje,’ zei hij. ‘Wacht hier.’

Hij repte zich naar zijn slaapplaats en nam de fles Bénédictine uit zijn rugzak. Hij haalde twee glazen uit een kastje en goot haar een flinke scheut.

‘Wat is het?’

‘Proef eens, je knapt er zeker van op.’

Ze nipte ervan en zoog een hap lucht mee naar binnen. ‘Wow. Dit is vloeibaar vuur.’

‘En?’

‘Lekker. Ik krijg het helemaal warm vanbinnen.’

‘Rustig of je schiet in brand. Met heksen weet je nooit.’

‘Gemene donder.’

Hij nipte ook van het likeurtje. Vreemd hoe hij werd overspoeld door herinneringen aan die eerste avond en nacht met Bianca.

Aan een tafeltje wat verderop sloegen twee koppeltjes hen gade.

Sophia giechelde. ‘Die willen vast ook een slok.’

Een van de meisjes, een blondje, kwam naderbij. ‘Komen jullie ook uit Nederland?’

‘België,’ antwoordde Sophia.

‘Wat geweldig. Kom toch lekker bij ons zitten.’

Sophia keek naar René. Hij knikte en nam de fles met de glazen mee.

‘Wat is het?’ vroeg een van de jongens.

‘Bénédictine.’

‘Wil ik best effe proeven.’ De jongen haalde nog meer glazen en een kwartier later was het een gezellige bende. Het bleken twee stelletjes van een Amsterdamse kunstacademie die door Frankrijk reisden om er de Franse cultuur te consumeren, zoals een van hen het uitdrukte.

‘Zijn jullie een stelletje?’ vroeg het blondje.

René en Sophia bekeken elkaar.

‘Nee,’ zei Sophia, ‘maar wat niet is kan nog komen.’

‘Hoelang kennen jullie elkaar?’ vroeg het andere meisje, een roodharige met sproeten.

‘Acht dagen,’ zei Sophia.

‘Acht jaar,’ zei René gelijktijdig.

De Nederlanders lachten. ‘Raar stelletje zijn jullie.’

De inhoud van de fles slonk intussen zienderogen. Sophia’s ogen draaiden nu en dan weg. ‘Kennen jullie toevallig een bekende modeontwerper in deze streek?’ vroeg René plompverloren.

Het werd ijzig stil. ‘Hoe durf je?’ zei het blondje.

René keek verbaasd. ‘Hoezo?’

‘Je hebt het over de grootste modelegende van de eeuw.’

‘Je meent het. Wie dan?’

‘Weet je het echt niet?’

‘Ik zou het toch niet vragen?’

‘BALENCIAGA!’ riepen ze alle vier in koor.

Sophia stopte met scheelogen en was weer helemaal bij de les.

‘Nooit van gehoord,’ zei René. ‘Waar vinden we die kerel?’

Het blonde meisje keek hem doodernstig aan. ‘Hoe heet je?’

‘René.’

‘Wel, mijn beste René, ik heb ontzettend droevig nieuws. Zit je stevig op je stoel? Señor Cristóbal Balenciaga …’ ze snikte, ‘… is heengegaan.’

‘Naar?’

‘De couturehemel.’

‘Is hij dood?’

‘Ja.’

René keek verslagen naar Sophia. ‘We zijn te laat.’

‘Al vijf jaar,’ voegde het blondje eraan toe. Haar kompanen hadden zich gniffelend ingehouden, maar nu proestten ze het uit. Sophia legde een hand op zijn arm en bekeek hem met guitige ogen, tot ook zij in een lach schoot.

René grinnikte. ‘Stelletje idioten.’

‘Wie is hij?’ vroeg Sophia toen ze waren bedaard.

De Nederlanders vertelden over de getalenteerde Bask die in de jaren twintig naam had gemaakt in het noorden van Spanje en bij het uitbreken van de Burgeroorlog was uitgeweken naar Parijs om er uit te groeien tot een van de grootste mode-iconen van de eeuw.

‘Zijn eerste pasmodel was zijn kat,’ zei een van de jongens.

‘Hij kleedde Grace Kelly, Audrey Hepburn en Elizabeth Taylor,’ zei de roodharige.

‘Hij ontwierp de bruidsjurk van jullie koningin,’ zei het blondje.

‘Hij was de meester, de architect, de hogepriester van de avondjapon …’

‘… een kunstenaar die zich baseerde op de religieuze schilderijen van Goya en Velàzquez, …’

‘… die de uniformen van de stewardessen van Air France ontwierp …’

En zo ging het maar door.

‘Wat een uitslover,’ zei René om de bloemlezing te stoppen. Hij vond het vermakelijk. Een modeontwerper die eerst zijn kat een kostuum aantrok en jaren later koningin Fabiola een trouwjurk.

‘Wat zoeken jullie precies?’ vroeg de roodharige.

‘Mijn zus,’ zei Sophia.

‘Wat heeft ze te maken met Balenciaga?’

‘Om een lang verhaal kort te maken: nu we weten wie hij is, vermoed ik dat ze is afgereisd naar San Sebastian om op zoek te gaan naar zijn roots.’

‘Zit ze ook in de modewereld?’

‘Daar lijkt het op.’

‘Nogal wat vermoedens. Wat is er aan de hand?’

‘We hebben al twee jaar geen nieuws over haar.’

‘Klote.’

‘En die Balenciaga is geboren in San Sebastian?’ vroeg René.

‘Alleszins in de buurt,’ zei het blondje.

Sophia nam zijn hand en kwam met haar gezicht tot vlak voor hem. Even dacht hij dat ze hem wilde kussen. ‘We naderen ons doel, René.’

 

OceanofPDF.com