De Parisienne
Chapitre 1
I’m just a poor boy
Nobody loves me
Queen - Bohemian Rhapsody
Ze zaten in de rij voor hem, vijf zitjes naar rechts, drie meisjes. De linkse, een mollig boerentrientje met blozende appelwangen, had meer oog voor de puisterige knaap naast haar dan voor de professor. De rechtse was van het ernstige soort. Had de man vooraan haar gevraagd om de krabbels van zijn bord te likken, ze was als een hordeloopster over de banken gewipt om hem op zijn wenken te bedienen. Het was de middelste, de brunette met de hooghartige trekken, die Renés volle aandacht genoot. Ze domineerde al wekenlang zijn top tien, verliefd als hij was op haar. Heimelijk wel te verstaan. Ze wist van niets. Hoe kon ze? Veel verder dan stiekeme blikken vanop veilige afstand kwam hij niet. Ze bezat een soort adellijke schoonheid, gereserveerd, op het hautaine af. Van haar gezicht viel nooit enige emotie af te lezen. Aan droefheid of blijdschap deed ze niet. Ook niet aan eender wat ertussenin. Omdat hij haar naam niet kende, en hij hem ook niet durfde te vragen, had hij haar Cleopatra gedoopt, omwille van haar neiging tot op niets gebaseerde trots. Hij was ook smoor op haar twee lijfwachten. En op de zeven andere meisjes in de eerste kandidatuur, en op alle meisjes aan de unief en op … tja, gewoon, op alles wat een rok droeg. Of jeans. Dat mocht ook. Als de kont maar strak genoeg zat.
De mollige blozerd keek om, brutaal, met venijnig rollende oogjes alsof hij tweedehandse kledij droeg van Oostpriesterhulp. Haar onbeschaamde toot ontleende ze ongetwijfeld aan de nabijheid van haar lieve vriendin Cleopatra. Hij sloeg de ogen neer en schrapte appelwang van zijn lijst. Ze mocht haar boontjes doppen met die puistenkop.
Serafinski, de wiskundeprofessor, een verrassend goed geslaagde kloon van Vladimir Lenin, was bezig aan zijn zevende bord vol breuken, vierkantswortels, limieten, differentialen en integralen. Er kwam schier geen einde aan ’s mans bewijsvoeringen en door de duizelingwekkende snelheid waarmee hij formules en stellingen uit zijn koker toverde, slaagde René er nooit in om alles op tijd te noteren in zijn cursusblok. De assistent van de professor, een rijzige kerel met een zwarte baard wiens blote voeten alleen bruine sandalen kenden, liep zich intussen te verkneukelen in de martelaarsblikken van de studenten. Soms, als de professor zijn kat stuurde, nam de assistent over, wat zowaar nog een grotere terreur was. De man schreef niet alleen sneller dan zijn mentor, hij schreef ook in iets wat leek op Soemerisch spijkerschrift. Iedereen weet dat één fout in een wiskundige bewijsvoering rampzalige consequenties kan hebben. Een x met het uitzicht van een y heeft instortende bruggen, omvallende flatgebouwen en smeltende kerncentrales tot gevolg. Renés cursus stond vol met dit soort calamiteiten.
Na het laatste ‘wat men moest bewijzen’ van de professor, riep de assistent iedereen tot de orde en deelde mee dat de punten van het tussentijdse examen konden worden geconsulteerd in de glazen kasten aan de ingang van de grote aula.
Onder een oorverdovend tumult van inklappende schrijftafeltjes en achteruit kantelende zitbankjes, scharrelde iedereen zijn papieren bij elkaar en haastte zich naar buiten in een stormloop op de vitrinekasten.
Cleopatra talmde. Haar secondanten talmden mee. René eveneens. Zo kon hij in het naar buiten gaan haar zwarte maillot-benen bewonderen.
Hij verliet als laatste de aula, hopend op een goed resultaat. Hij meende elke examenvraag goed te hebben beantwoord en hij keek uit naar zijn punten.
‘Wat een poppenkast,’ zei iemand.
René had een hekel aan mensen die vlak voor hem gingen staan. Ook aan mensen die te luid praatten en neerkeken op anderen. De wandelende telefoonpaal die het hele gedoe een poppenkast vond, deed het allemaal. Hij was graatmager en bijna twee meter lang. Hij liep lichtjes gebogen alsof hij er zijn levensdoel van had gemaakt om de kruinen van zijn medestudenten te inspecteren op ongedierte. Hij droeg een onberispelijk maatpak, maar door zijn ongebruikelijke postuur liep hij het risico er bij de eerste de beste windvlaag uit te waaien.
De jongen keek om. ‘Hoe liggen de kaarten?’ vroeg hij aan René.
‘Welke kaarten?’
‘Nou ja. Wat wordt jouw resultaat? Een succes of een Griekse tragedie?’
René keek verbaasd. Een Hollander. Aan een Vlaamse unief. Hadden ze in Holland geen universiteiten?
‘Valt mee. Hoop ik. Jij?’
De Hollander had een mond ter grootte van een hooischuur en een neus waarmee tijdens koude winters nat brandhout kon worden gekliefd. Hij zoog zijn smalle borst vol lucht. ‘Ach man. De zoveelste teringzooi.’
Cleopatra, wat verderop, keek in Renés richting. Hij smolt bij het zien van zoveel nobele bekoorlijkheid en glimlachte allervriendelijkst terug. Geen reactie. Het was de telefoonpaal die haar interesse genoot.
Langzaam loste de menigte op. Bij elke zwaai van de buitendeur, sneed een venijnige windvlaag door de gang. Het stormde en op de radio waren rukwinden aangekondigd van honderd kilometer per uur.
Eindelijk vond René zijn naam op een van de vele velletjes papier. De grond zakte weg onder zijn voeten. Dit klopte niet. Hij had minstens vijftien verwacht. Die baardaap van een assistent moest zich hebben vergist. Verslagen nam hij plaats op een bank. Wat een ramp.
Alleen Cleopatra, haar twee hulpjes en de Hollander bleven nog over. Zowel appelwang als hordeloopster juichten. Cleopatra gaf geen kik. Was ze geslaagd of niet? De Hollander gaf drie klappen tegen de kast. ‘Kut, kut, kut.’ Hij ging voor René staan. ‘En?’
‘Vijf,’ zei René.
‘Zes.’
De meisjes vertrokken. Opnieuw raasde een verwoestende windvlaag door de gang. Een van de kantelramen barstte uit de scharnieren en kletterde tegen de grond. Versplinterend glas spoot alle richtingen op. De Hollander verstijfde alsof hij werd aangesloten op het hoogspanningsnet, kapseisde bovenop René en bleef daar liggen, een omvergewaaide pyloon, zijn ogen verstard als die van een speelgoedaap. René schrok zich wezenloos en sprong op. De jongen zijn schedel klapte met een houterige bonk tegen de vloer.
René knielde. ‘Wat heb je?’
Geen reactie.
‘Een hartaanval?’
De jongen schudde het hoofd.
‘Ben je ongesteld?’
De ander glimlachte, kroop knullig overeind, wreef over zijn hoofd en streek zijn kostuum glad. ‘Bedankt om me op de grond te mieteren, eikel.’
René was verbijsterd. ‘Ik dacht dat je flauwviel.’
‘Nee, joch. Zo stap ik van m’n fiets af.’
‘Het gebeurde zo snel.’
‘Nou ja. Altijd hetzelfde gezeik.’
‘Wat heb je?’
‘Niets. En ongesteld ben ik ook niet. Wie vraagt nou aan een jongen of hij ongesteld is.’
‘Heb je de vallende ziekte?’
‘Natuurlijk niet.’
René raapte zijn tas van de grond. ‘Red je het wel?’
‘Jazeker. Zin in een biertje? Ik sterf van de dorst.’
René keek op zijn uurwerk. De namiddag was nog jong en hij kon best een pint verdragen. ‘Oké. Snel dan.’
De Hollander reikte hem de hand. ‘Klaas.’
‘René.’
‘We smeren ‘m, voor de boel hier compleet naar de gallemieze gaat.’
‘Wat doe ik als je weer omvalt?’
‘Ik val niet weer om.’
René aarzelde bij de kast waar Cleopatra had staan kijken. Hij zag niet meteen een meisjesnaam. Hopelijk was ze ook gesjeesd. Ze moest maar niet zo dwars door hem heen kijken naar die verknipte kees. Hij knoopte de touwtjes van zijn duffelcoat dicht, sloeg de kap over zijn hoofd.
‘De Heremiet?’ vroeg Klaas.
‘Oké.’
Ze verlieten de campus en liepen zwijgend door het aanzwellende stormweer. De wind waaide dwars door Renés knoken. Hij moest snelwandelen om de Hollander bij te houden. Een paar straten verder vonden ze De Heremiet. Het was er bruin, donker, rokerig en warm. Ze kozen een tafeltje naast een raam.
René dronk een pils, Klaas een geuze met grenadine.
‘Vijf dus. Ontgoocheld?’
René knikte. ‘Mijn resultaat moet zijn omgewisseld.’
‘Vergeet het. Raspoetin vergist zich nooit.’
‘Wie?’
‘Die assistent met zijn woestijnslippers.’
René dronk zijn bier leeg en riep de barman om nog een rondje. ‘Je had wellicht ook beter verwacht.’
‘Ja. Het wil maar niet lukken. Ik doe mijn jaar over. M’n ouweheer wil dat ik ingenieur word. Mij interesseert het geen klotemoer.’
‘Waarom studeer je er dan voor?’
‘Pappie is baas van een bussenfabriek en wil dat ik later ook bussen ga bouwen. Hopelijk komt hij ooit tot inzicht.’
‘Toch interessant. Heb je meteen werk.’
‘Bussen zeggen me geen hol.’
‘Wat wil je dan studeren?’
‘Archeologie.’
‘Potten en bijlen opgraven?’
‘Nee, joch. Kunstschatten, oude geschriften, verdwenen culturen. Hoef je geen differentialen en integralen voor te ontcijferen. Ze hangen me de strot uit, man.’
Ze vroegen nog een biertje, en daarna nog een, en nog een, en nog een. Tegen zessen zei René: ‘Klaas, ik heb honger. Ik ga naar mijn kot.’
‘Nou ja, ik blijf nog even. Misschien scharrel ik een wijfie op.’
‘Veel succes.’
‘Je ziet dat ijskonijn wel zitten he?’
‘Wie bedoel je?’
‘Dat hooghartige wicht waar je al weken zit op te geilen.’
‘Ach, die.’
‘Ik zag je wel. Altijd net achter haar aan kruipen in de aula. Niet verwonderlijk dat je slechts vijf hebt. Ik zag je zoeken naar haar resultaat. Vond je het?’
‘Nee. Ik ken niet eens haar naam.’
‘Ze heet Martien, ze had zestien.’
Renés vijf leek nog te slinken.
‘Die griet is geen spek voor je bek, kerel. Zag je haar garderobe? Dat handtasje? Kost stukken van mensen. Ze is vast stinkend rijk en veel te intelligent voor jou. Ze is voor mij, dus fikken af. Je bent gewaarschuwd.’
René liep naar de toog en betaalde. Bij het naar buiten gaan riep Klaas: ‘Sodemieter op, eikel.’
Het keukentje van Renés logies was net groot genoeg voor de vier studenten die er verbleven. Er was een koelkast, een gasfornuis, een aanrecht met een spoelbak vol kalkaanslag en een netjes in vieren verdeelde voorraadkast. Zijn studiegenoten zaten aan tafel.
‘René, ken je de naam van de nieuwe cinema in Ruisbroek?’ vroeg Jean, psycholoog in wording.
‘Nee.’
‘De Swim-In.’
René lachte beleefd. Het dorpje waar Jean het over had liep in 1976 compleet onder water. Bij de herdenking, nu een jaar later, werden er nog altijd sinistere mopjes over verteld.
‘Niet je dagje?’ vroeg Jean.
‘Nee.’
‘Wat scheelt eraan?’
‘Gezakt voor wiskunde. Vijf.’
‘Dat wordt tweede zit,’ zei Pol. Pol kon het weten. Hij studeerde al zes jaar Pol & Soc. Eigenlijk heette hij Willem, maar omdat hij de Politieke en Sociale Wetenschappen niet onder de knie kreeg, noemde iedereen hem Pol.
‘Daar gaat je zomer,’ zei Georges, de historicus van het gezelschap.
Tijdens het eten discussieerden de anderen over de recente fusies van gemeenten. Georges vond het een corrupte schande, terwijl de andere twee het een logische zaak vonden. René hield zich liefst ver van hun discussies, want hij had geen flauw benul van politiek. Als ze al eens zijn mening vroegen, wat weinig gebeurde, gaf hij een ontwijkend antwoord. Hogere wiskunde was zijn ding, hoewel die vandaag op een bedroevend laag pitje stond.
Na de afwas ging hij naar zijn kamer. Aan de muren hingen levensgrote posters met naakte meisjes. Die waren achtergelaten door zijn voorganger. Hij was er blij mee. Zelf had hij geen geld voor decoratie. Zijn favoriete was een zuiders meisje met lang donker haar. Ze had tijdens het zonnen vergeten haar bikini uit te trekken waardoor haar lelieblanke borsten fraai contrasteerden met haar gebronsde lichaam. Soms ging hij er vlak voor staan. Dan dacht hij aan Gina, het jeugdvriendinnetje dat acht jaar eerder zijn leven overhoop had gehaald en daarna spoorloos was verdwenen. Zou ze er ook zo uit zien, nu, zoveel jaren later? Al die jaren had hij zich afgevraagd waar ze naartoe was. Ze had nooit iets van zich laten horen. Geen kaartje, geen briefje, geen telefoontje. Niets. Ze waren toch vrienden geweest? Meer dan vrienden zelfs.
Hij bekeek zijn notities van de voorbije lessen. Ze zaten alweer vol gaten. Hij was nochtans goed aan de studies begonnen na een voorbereidend jaar wiskunde. Zijn leraar had zo nu en dan overstapjes gemaakt naar de sterrenkunde. Sterren en planeten dansten niet zomaar een samba rond de aarde, wist René. Er zat systeem in. Er heerste orde in het heelal. Meer dan in zijn hoofd. Hij was daarna met verve geslaagd voor het ingangsexamen en had vol verwachting uitgekeken naar de eerste les. En nu was hij hopeloos gezakt op de allereerste wiskundetoets. Fysica was ook al geen hoogvlieger geweest, en na een proefexamen chemie over titratie had de assistent zijn grafiek smalend in de prullenmand gegooid met de woorden: ‘Zo’n onzin heb ik nog nooit gezien.’
Hoe moest hij dit uitleggen aan moeder die er alles aan deed om het geld bijeen te schrapen voor zijn studies? Tijdens de week koken en poetsen bij een oude textielbaron. Op zaterdag frietaardappelen de ogen uitsteken bij een aardappelboer, in een tochtig hok, naast een bonzende schilmachine, tot haar handen blauw zagen van de kou. De laatste tijd klaagde ze steeds vaker over pijn in haar vingers. ‘Zie dat je goed eet,’ zei ze elke zondagavond als hij vertrok naar Gent. Ze gaf hem zakgeld mee, zelfgemaakte appelconfituur en een lading bokalen met ingemaakte peren en sperzieboontjes. Hij zou het zichzelf nooit vergeven als haar inspanningen uitliepen op niets.
Uit de kamer van Jean klonk Suzanne van Leonard Cohen. Jean had een indrukwekkende platencollectie en een joekel van een muziekinstallatie van Pioneer. Zelf moest hij het stellen met het oude transistorradiootje van zijn broer. Het kraakte dat het een lieve lust was. Hij had al meermaals de drang weerstaan om het door het venster te pleuren.
Hij werkte door tot middernacht en ging naar bed met het lamlendige gevoel de koers te verliezen nog voor het startschot was gegeven. Toch mocht hij niet versagen. Hij moest zich herpakken en doorzetten, op de tanden bijten zoals Merckx.
Zijn laatste gedachte was bij Gina. Hoe graag zou hij haar terugzien, haar stem horen, haar aroma ruiken. Ze zou hem vast en zeker helpen. Zoals ze hem destijds had geholpen. Acht jaar geleden. Acht jaren van stilte. Acht jaren geruis in zijn hoofd. Even plopte het idee naar boven om haar te zoeken. Een waanzinnig idee. Hij verwierp het meteen en voelde zich een lafaard.
OceanofPDF.com