De Parisienne

André Van Butsel · Chapitre 28 sur 40

Pages du PDF

De Parisienne

Chapitre 18

Pour un flirt avec toi

Je ferais n’importe quoi

Michel Delpech – Pour un flirt

 

René knielde naast het stapelbed waar Sophia al veertien uur lag te slapen. ‘Sophia. Opstaan.’

Enkele Duitse meisjes verderop trakteerden hem op afkeurende blikken.

Hij schudde haar schouder. ‘Sophia, sta op.’

‘Ga weg.’

‘Ik heb nieuwe informatie.’

‘Interesseert me niet.’

‘Over Balenciaga.’

Ze wendde zich af en trok het laken over haar hoofd. ‘De pot op met Balenciaga.’

‘Oké. Blijf dan slapen tot Kerstmis. Ik reis alleen verder.’

Ze kreunde. ‘Waar zijn we?’

‘In Spanje.’

‘Eviva España.’

‘Daar gaan we weer. Die mensen kijken naar ons.’

‘Mensen?’ Ze piepte over het laken. ‘Duitsers.’

‘Sophia, eruit!’

Ze dook terug onder. ‘Laat me sterven, René. Please.’

‘Je hebt nog een leven lang om te sterven.’ Hij schudde haar een laatste maal door elkaar.

‘Hoe laat is het?’ klonk het gedempt.

‘Negen uur.’

Ze geeuwde. ‘Slaap lekker.’

‘In de morgen!’

Ze draaide zich om, haar oogleden halfstok. ‘Is het al ochtend?’

‘Je sliep de klok rond. Je dronk te veel cider.’

‘Cidra …’ Ze veerde recht, botste met haar hoofd tegen het bovenste bed, keek wanhopig in zijn ogen en rende naar het toilet in de gang. Hij volgde haar en luisterde naar de kokkende geluiden waarmee ze haar maag leegpompte. Ze opende de toiletdeur en vroeg: ‘Heb je geen pilletjes?’

‘Nee, daar zijn geen pilletjes voor.’

‘Waarom ben ik zo ziek?’

‘Cidervergiftiging.’

Ze keerde zich om en vloog opnieuw het toilet binnen.

‘Wil je dat woord nooit meer uitspreken?’ riep ze tussen twee kotsvlagen door.

‘Welk woord? Cider?’

‘Oh God.’

Glimlachend keerde hij terug naar haar slaapplek.

Lijkbleek, met tranende ogen en nat van het zweet maakte ze haar opwachting. ‘Water alsjeblieft.’

Hij haalde een fles kraantjeswater in de refter. Ze dronk ze halfleeg. ‘Is er brood?’

‘Ja, en bananen, kaas en salami.’

‘Iets tegen koppijn?’

‘Een Aspro.’

‘Prima. Wat brengt de dag?’

‘We gaan naar Guetaria, het geboortedorp van Balenciaga. Mogelijk verblijft Gina er.’

Ze kauwde moeizaam op een stuk brood. ‘Is het ver?’

‘Nee, we nemen de bus.’

Ze slikte de Aspro in en goot er de rest van de fles water achterna. ‘Ik ben klaar.’

‘Sophia, zo kan je de straat niet op. Je ziet eruit als een … een …’

‘Een wat?’

‘Slet.’

Ze keek in een spiegeltje aan een stapelbed en kreunde. ‘My God.’

Ze nam zeep, een slip en een handdoek en trok naar de dichtstbijzijnde douche. Een kwartier later kwam ze tevoorschijn, nog altijd bleekjes maar met wat meer pit in de ogen. ‘Nu ben ik echt klaar.’

‘Misschien moet je je eerst aankleden.’

‘Goed idee.’ Ze wurmde zich moeizaam in de jeans en trok een rood topje aan uit haar veelkleurige collectie.

‘Je vergat je bh.’

‘Oeps.’

In plaats van de bh aan te trekken, ritste ze haar rugzak dicht.

René stond op. ‘We laten onze spullen hier.’

 

De zitplaatsen op de bus waren erg smal. Hun heupen drukten tegen elkaar. Ze legde een hand op zijn knie. ‘Je mag er best zijn, René,’ zei ze, met glinsterende ogen die van alles deden smelten tussen zijn ribben. ‘Het is de eerste keer dat iemand voor me zorgt.’

Hij kneep in haar hand. ‘Wat moet ik anders met jou.’

‘Terwijl ik je zo slecht heb behandeld.’

‘Viel wel mee.’

Hij keek naar een smal riviertje dat diep onder hen mee meanderde met de weg. Hij dacht aan Bianca. Zou ze al op zijn? Of lag ze te luieren in bed, hem aan het missen? Of was ze op zoek naar werk en dacht ze helemaal niet aan hem. Of dacht ze aan iemand anders. Waren haar gevoelens voor hem ook aan het opdrogen zoals dat riviertje ginds in de diepte. Ze was zo afstandelijk geweest de dag voor zijn vertrek. Ze had toch niemand? Ze lag toch met niemand anders in bed?!

Ze kneep in zijn knie. ‘Waaraan denk je?’

‘Bianca.’

‘Mis je haar?’

Hij knikte.

Het laatste stuk van de busrit volgden ze de kustlijn van de Atlantische Oceaan. Het vissersdorpje Guetaria lag op een schiereiland. Er was een berg met de naam San Antón die eruitzag als een uit de kluiten gewassen spitsmuis. Ze gingen naar de haven en vroegen aan een visser met een gelaat van gelooid leer naar het geboortehuis van Cristóbal Balenciaga. De man bekeek hen nors en ging verder met het inspecteren van een rafelig visnet.

‘Turistas belgas,’ zei René.

De man zijn gezicht klaarde op. ‘Haha, la reina Fabiola de los Belgas.’

‘Qué?’

‘Fabiola Mora y Aragón.’

De visser schakelde over op Frans. Hij zei dat hij een naaister kende die in Frankrijk voor señor Cristóbal had gewerkt en die nu in Guetaria woonde.

‘Hebt u haar adres?’ vroeg Sophia.

‘Doña Ximena woont in de Elkano Kalea. Ze vergezelde señor Cristóbal als jong naaistertje naar Parijs. Toen ze artrose kreeg, keerde ze terug. Ze spreekt vloeiend Frans en ze kan uren vertellen over de couturier.’

Ze bedankten de man.

 

De Elkano Kalea was een nauwe steeg in het oude stadsgedeelte van Guetaria. De balkonnetjes van de huizen lagen zo dicht tegen elkaar dat overburen elkaar de hand konden drukken. Doña Ximena bewoonde een smal huis met kriskras op elkaar gestapelde natuurstenen blokken, een zware eikenhouten voordeur en slechts één raam met dikke ijzeren spijlen ervoor. Na driemaal kloppen deed een jonge vrouw open. Ze vertelden waarvoor ze kwamen. De vrouw liet hen binnen, vroeg om te wachten in een zitplaatsje vol antieke snuisterijen en glipte via een laag deurtje naar achteren. Even later verscheen een al even antiek vrouwtje dat zo te zien klant was bij dezelfde leerlooier als de visser in de haven. De groeven in haar gezicht en hals waren diep en talloos, maar haar ogen hadden de glans en de levendigheid van een jonge vrouw. De gekromde vingers van haar rechterhand omklemden een wandelstok die met een leren riempje vastzat aan haar pols. Ze richtte zich op om de bezoekers nader te bekijken. ‘Madre de Dios.’ Ze sjokte naar Sophia, nam met haar vrije hand haar kin, draaide haar hoofd naar links en naar rechts en zei: ‘Señorita Gina?’

Renés hart maakte een sprongetje. Sophia keek naar hem en terug naar het vrouwtje. ‘Excuseer mevrouw, ik heet Sophia.’

‘Hou een oude dame niet voor de gek, señorita.’

Sophia lachte en boog zich naar het vrouwtje. ‘Ik ben Sophia, de zus van Gina.’

Het vrouwtje waggelde een beetje achteruit en bekeek haar van top tot teen. ‘Madre Maria, een dubbelganger. Alles hetzelfde, mond, neus, voorhoofd, alleen … die ogen, vurige ogen, nog vuriger dan die van señorita Gina. Ga zitten.’

De jonge vrouw bood aan om iets te drinken. Ze vroegen water.

‘U kent Gina, mevrouw?’ vroeg Sophia.

‘Jazeker, hoe is het ermee?’

‘We weten het niet. We zijn op zoek naar haar.’ Sophia sprak over de brief waarop Gina had aangekondigd te zullen terugkeren naar huis waarop ze niets meer van zich had laten horen.

Doña Ximena vertelde. ‘Een hele tijd geleden klopte Gina hier aan, net zoals jullie nu, op zoek naar informatie over señor Cristóbal. Ze volgde lessen in Guerre-Lavigne in Parijs en was ondersteboven van zijn ontwerpen. Señor Cristóbal was haar grote idool.’

‘Wat is Guerre-Lavigne?’

‘De oudste modeschool ter wereld.’

‘Was ze alleen?’

Het vrouwtje haar gezicht betrok. Ze schudde haar hoofd en stak een dreigende wijsvinger op. ‘Er was een duistere man bij haar. Un hombre malo que tiene una sombra oscura.’

‘Hoe heette de jongen?’ vroeg René.

‘Wie bent u?’ vroeg de dame.

‘Een goede vriend,’ zei Sophia.

Doña Ximena naderde en keek René met haar felle blik in de ogen. ‘Señorita Sophia, je hebt een betere keuze gemaakt dan uw zus.’

Ze keken elkaar aan en glimlachten.

‘Oma, hoe heette die jongen?’ vroeg de jonge vrouw.

Doña Ximena dacht na en tikte ongeduldig met de stok op de vloer. Ze schudde het hoofd.

Sophia ritste haar rugzak open en haalde er een foto uit. ‘Was het deze?’

Doña Ximena bekeek de foto en knikte. De kleindochter kwam erbij en sloeg een hand voor de mond. ‘Akil Elizondo.’

‘U kent hem, mevrouw?’

‘Zijn vader is een ETA-militant. Hij werkte een tijdlang in de fabriek waar ik werk. Hij zit in de gevangenis.’

‘Zijn zoon ook?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hebt u een adres?’

‘Voor zover ik me herinner wonen ze in de barrio Altza, een volksbuurt van San Sebastian. Meer weet ik niet.’

Sophia noteerde de naam op de achterkant van de foto en stopte hem terug. Ze nam de handen van doña Ximena in de hare. ‘U hebt ons enorm geholpen, mevrouw.’

‘Blijf nog even. Kattalin, haal een glaasje cider voor onze gasten.’

Sophia rilde. René maande haar om het aanbod te aanvaarden omdat weigeren als onbeleefd kon worden opgevat. Doña Ximena, gezeten in een bruinleren fauteuil, vroeg hen honderduit over hun thuisland, de reis door Frankrijk, de zoektocht naar Gina. Zelf vertelde ze over haar leven in Parijs en haar werk voor Balenciaga. ‘Zal Kattalin u laten zien waar señor Cristóbal zijn carrière begon?’

Ze keken naar de kleindochter, die lachte en zei: ‘Oma wil dat ik iedereen naar het Palacio de Aldamar breng, de zomerresidentie van de markiezen van Casa Torres.’

‘Ik zou het fijn vinden,’ zei Sophia.

Doña Ximena nam afscheid. ‘Deze ouwe naaister wordt ineens heel moe. Sturen jullie een kaartje als Gina terecht is?’

Ze beloofden het.

Onderweg naar het Aldamar paleis vertelde Kattalin over de beeldschone markiezin Maria Michaela die op haar veertiende was getrouwd, op haar vijftiende een dochter ter wereld had gebracht en op haar achttiende haar man had verloren. De weduwe was nooit hertrouwd en was met haar dochter Blanca Europa rondgereisd. Ze waren graag geziene gasten geweest bij diverse vorstenhuizen en hadden bij de best geklede vrouwen van hun tijd gehoord. De jonge Cristóbal, toen twaalf, op bezoek met zijn moeder in het Palacio, onder de indruk van de weelderige garderobe met jurken uit Parijse en Londense modepaleizen, zou de mooie markiezin weduwe hebben gevraagd om haar wandelkostuum na te maken. Ze zou erin hebben toegestemd en het ook hebben gedragen om er op zondag mee naar de mis te gaan. Daardoor werden de markiezin en haar dochter Blanca, de grootmoeder van koningin Fabiola van België, de beschermvrouwen van de jonge Cristóbal.

Het vier verdiepingen tellende Aldamar paleis lag op een hoogte. Het was opgetrokken in glanzend rode baksteen, de lateien, pilasters en kroonlijsten in witte natuursteen, een gevellijst met vijf kapelletjes. Een nogal plomp bordes met een balustrade met kunstig gedraaide spijlen onttrok de ingang aan het oog. Kattalin vertelde over de vele voorname gasten die er hadden vertoefd, over de schilderijen van Goya en andere grootmeesters die de gangen en kamers van het paleis opfleurden. Daarna liet ze hen alleen.

‘Gaan we naar binnen?’ vroeg Sophia.

‘Goed idee. “Hallo, wij zijn scheel van de honger en schuiven even aan voor het diner”.’

‘Pretbederver.’

Ze liepen voorlangs het paleis en sloegen een grindpad in naar beneden. Halverwege vlijden ze zich in het gras waar ze een mooi uitzicht hadden op de zijkant van het palacio. Hij scharrelde brood en kaas uit zijn rugzak, een banaan en een sinaasappel. Terwijl ze aten, kwamen een man en een vrouw arm in arm het wegeltje naar beneden. Ze lachten en taterden in het Frans en merkten hen in het voorbijgaan niet eens op.

Toen ze uit het zicht waren keek hij verbijsterd naar Sophia. ‘Waren dat nou Fabiola en Boudewijn?’

‘Zou wel eens kunnen.’

Ze moesten hartelijk lachen. Ze dronken spuitwater en maakten zich klaar om te vertrekken.

‘Ik wil graag die berg op,’ zei Sophia.

‘Wat is er speciaal aan die berg?’

‘Ik wil gewoon even dicht bij de hemel zijn.’

‘We moeten naar die volkswijk.’

‘Morgen. Eerst beklimmen we San Antón.’

Hij begreep niet wat ze verloren had op de berg. Met tegenzin volgde hij. De verharde weg omhoog was steil en zat vol bochten. Hoe hoger ze kwamen hoe mooier het uitzicht werd. In de verte zagen ze het palacio. Van die afstand leek het alsof een vrouw met smachtende lippen de rode gevelstenen had gekust met blauwe lipstick. Bij de laatste haarspeldbocht, op wat het hoogste punt van de berg leek, bleef Sophia staan voor een trap met brede treden die nog verder omhoogliep. Vastbesloten om de hemel de hand te reiken, nam ze de trap. Een paar honderd meter verder kwamen ze uit op een laag rechthoekig gebouw met een ronde uitsprong. Deuren had het stulpje niet. Ze gingen naar binnen. In elke muur zaten kijkgaten. Het uitzicht was adembenemend, aan de oostkant het pittoreske haventje, aan de westkant een kleine baai met een goudkleurig strand en recht vooruit de onmetelijke Golf van Biskaje.

Ze gingen terug naar buiten om uit te rusten op een brokkelmuurtje begroeid met mos. De zon brandde aan de hemel. Een briesje van over de Atlantische Oceaan bracht verkoeling.

‘Wat prachtig,’ zei ze.

‘Waarom zweeg je over die foto?’

Ze trok haar schouders op.

‘Mag ik hem zien?’

‘Je zag hem bij dat naaistertje.’

‘Nee, je toonde hem alleen aan haar en haar kleindochter. Hoe kom je eraan?’

‘Hij zat bij die brief.’

‘Ik wist dat je iets achterhield. Zijn er nog?’

‘Nee.’

‘Komaan, toon me die foto.’

‘Later.’

‘Gaan we weer die weg op? Waarom nu niet?’

‘Geduld, René.’

Hij voelde zich als een kind dat een snoep werd geweigerd. Hij knikte verstrooid naar het gebouwtje. ‘Ik vraag me af wat …’

Ineens kleefden haar lippen op zijn mond. Hij schoof achteruit. Ze hield zijn hoofd stevig vast. Haar tong wurmde zich naar binnen.

Hij duwde haar van zich af. ‘Sophia, dit is geen goed idee …’

Haar lippen snoerden hem opnieuw de mond.

‘Mmm … Sophia, hou op.’

Ze keek erg verwilderd. Geen vlammende speren dit keer, maar smachtende poelen vol tomeloze wellust.

‘Neem me, René.’

‘Waar naartoe?’

‘Hier, nu.’

Hij wilde zich losrukken maar opnieuw drukte ze haar natte mond op de zijne. Zonder hem los te laten trok ze hem achter het muurtje in het gras. Haar vanille aroma vermengd met de geur van hooi en de zilte zee-adem bracht hevige deiningen teweeg in zijn bloed. Ze duwde hem op zijn rug en kroop boven op hem. Ze bracht zijn handen onder haar topje en ritste haar jeans open. Compleet uit het lood geslagen volgde hij haar gescharrel. Toen ze haar topje over haar hoofd wilde trekken, klonken er voetstappen in het grind, gevolgd door een bulderende: ‘Qué?’ Ze lieten elkaar los en krabbelden overeind. Ze trok haar truitje omlaag en haar rits omhoog. Aan de andere kant van het bouwvallige muurtje stond een kolossale kerel in het groene uniform van de Guardia Civil, op zijn hoofd een glanzende driekantige steek, op zijn rug een al even glanzend machinegeweer. René had meteen door dat de man, afgaande op diens grimmige blik en overweldigende snor, niet erg was gebrand op stoeipartijen op zijn berg. Hij orakelde de magische formule: ‘Turistas belgas,’ die al een paar keer nuttig was gebleken, maar de knakker had duidelijk geen boodschap aan magische formules. Hij haalde het machinegeweer van zijn rug en priemde ermee in Renés buik, gebarend dat ze moesten opkrassen of dat hij hen ter plekke doodschoot. Verbijsterd renden ze terug naar de trapjes en vlogen naar beneden. René hield Sophia halverwege staande om te luisteren. Boven hun hoofden weerklonk een daverende schaterlach die weergalmde van de Golf van Biskaje tot de Franse Alpen.

‘De godverdomde klootzak,’ zei hij, nog bibberend op zijn benen.

Ze vervolgden hun weg. Wat verder liep die dood. Hij gooide zijn rugzak tegen de grond. ‘Je houdt het niet voor mogelijk. Nu moeten we helemaal terug die kutberg omhoog en langs de andere kant er weer af.’

‘Kalmeer nou even.’

‘Jij met je stomme berg. Was dit de hemel die je in gedachten had?’

‘De eerste, er zijn er nog zes naar het schijnt.’

 

Op de terugweg voelde hij haar blik. Hij weerstond de drang om terug te kijken uit schrik dat ze weer hitsig werd. De hele weg terug dacht hij aan Bianca en nog voor hij beneden over het strandje liep, voelde hij zich een schaamteloze bedrieger. Wat zou er zijn gebeurd als die Guardia Civil niet was opgedaagd? Was ze echt van plan geweest om tot het uiterste te gaan? Of was het weer een van haar ondoorgrondelijke spelletjes? Wat haalde het leven weer cynische fratsen uit. Jarenlang leidde hij een eenzaam bestaan als transparant spook, door geen enkel meisje opgemerkt, en nu had hij er twee waartussen het zo langzamerhand erg moeilijk manoeuvreren werd. Intussen waren ze al een week op zoek naar Gina, waar hij zo smoor op was geweest en die misschien nog meer gevoelens deed oplaaien, ware het niet van die ploertige Bask op de foto die hij nog steeds niet mocht zien.

‘Hoe oud ben je eigenlijk?’ vroeg hij.

‘Ga je nu preuts doen? Erg veel weerstand voelde ik anders niet.’

‘Minderjarigen hebben geen seks.’

‘Onzin. In de Middeleeuwen werden meisjes uitgehuwelijkt op hun veertiende.’

‘O ja. De gouden Middeleeuwen. Dat was nog eens een prachttijd.’

‘Maria Michaela was veertien toen ze trouwde, en vijftien toen ze moeder werd.’

‘Zijn dat je ambities?’

‘Nee, maar …’

‘Sophia, dat waren andere tijden.’

Ze begaven zich op weg naar de bushalte waar ze ’s morgens waren uitgestapt. Op de bus viel ze met haar hoofd op zijn schouder in slaap. Een plukje haar kriebelde tegen zijn neus. Haar hand rustte achteloos tussen zijn dijen. Zijn hart zwol op als een Zeppelin. Nog even en het barstte dwars door zijn borstkas en veegde Spanje van de kaart. Hij ademde lang en diep in, traag, om haar niet wakker te maken, zich afvragend hoe het kwam dat dit meisje, deze driftige furie, voortdurend in gevecht met zichzelf, hem zo uit zijn evenwicht bracht.

Onderweg naar hun overnachtingsplaats sloegen ze proviand in. Voor het slapengaan nam hij afscheid aan de deur van haar slaapzaaltje. Ze was intussen afgekoeld en beperkte zich tot een zedige kus op zijn wang met de woorden: ‘Slaap lekker. Morgen wordt een grote dag.’

 

OceanofPDF.com