De Parisienne

André Van Butsel · Chapitre 37 sur 40

Pages du PDF

De Parisienne

Chapitre 26

Feelin’ better now that we’re through

Feelin’ better, ‘cause I’m over you

Linda Ronstadt – You’re No Good

 

René sliep op de sofa. Voor Gina bleek al jaren een kamer voorhanden met een bed dat nooit werd beslapen.

’s Morgens bij het ontbijt vertelde ze over haar ondervraging. Op geen enkel moment was ze verdacht geweest. Om haar verdediging kracht bij te zetten, had ze aan de onderzoekers gevraagd om commandant Fermin te contacteren. Deze had telefonisch haar verhaal bevestigd. Hij deelde ook mee dat Akil Idoia van de straat had geplukt toen ze in het gezelschap van haar moeder op weg was naar een buurtwinkel. Daarbij had hij zijn moeder zo hardhandig aangepakt dat ze op straat was bezweken aan een hartaanval.

‘Hoe wist je van die zwarte DS?’ vroeg Gina.

‘Klopte het?’

‘Als een specht op een boom.’

‘Ik zag hem staan voor we de Vikingstraat inreden. Het is het allerlaatste model met ingewerkte koplampen. Hij kost een fortuin maar hij zag eruit alsof hij de rally van Monte Carlo had gereden.’

‘Waarom zweeg je?’

‘Je klonk zo ongerust over die Franse nummerplaten.’

‘Dus je wordt niet verdacht of vervolgd?’ vroeg Sophia.

‘Nee. Ik moet enkel terug om Belgische papieren. Voor mijn dossier van acht jaar geleden moet ik naar Oudenaarde. Ik word later wellicht nog opgeroepen om te getuigen.’

‘Wat gebeurt er met Idoia?’ vroeg Sophia.

‘Mama, ik wil haar opnemen bij ons,’ zei Gina.

‘Natuurlijk, wat moet er anders geworden van dat arme kind?’

Sophia knikte. Claudia glunderde. Idoia keek niet begrijpend van de een naar de ander en vroeg: ‘Qué?’ Het was de meest lieftallige qué die René ooit had gehoord. Alle qué’s van de voorbije weken, de gemene qué’s, de agressieve qué’s, de stompzinnige qué’s, verdwenen in het niets bij dit enig muzikale woordje uit de mond van dit minzame kind.

Gina vertaalde. Idoia vloog haar om de hals en gaf haar tientallen kusjes.

‘Weet ze het van haar moeder?’ vroeg René.

‘Nog niet. Ik wacht tot ze er klaar voor is. Ze heeft genoeg doorstaan de laatste dagen.’

René maakte aanstalten om te vertrekken.

‘Wacht,’ zei Sophia, ‘we verzorgen eerst je kwetsuren.’

‘Hoeft niet hoor.’

‘Zwijg en doe je broek uit.’

Hij schoof zijn broek op zijn enkels. Sophia ontsmette met een plaagzieke grijns de schotwonde in zijn kuit. ‘Je mag me wel dankbaar zijn hoor. Een halve meter hoger en je kon bij de Wiener Sängerknaben.’

‘Mijn nageslacht is je eeuwig dankbaar, Sophia.’

Gina verwijderde het verband om zijn hand, smeerde er Dr. Swaab’s brandzalf op en bracht een nieuwe zwachtel aan. Claudia gaf hem een kop koffie en Idoia sprong op zijn schoot waarbij ze met haar hoofd tegen zijn buil botste.

Hij genoot. ‘Jullie vermoorden me nog.’ Wat kon geluk toch simpel zijn.

‘Die broek gaat de vuilbak in. Ze zit vol bloed en gaten,’ zei Sophia. Ze trok ze over zijn enkels.

‘Ik kan moeilijk zo naar huis.’

Ze liep naar boven en kwam terug met een jeansbroek van haar. Hij trok ze aan. Te kort en te smal en de rits vertikte het om te sluiten. Ze moesten er allemaal om lachen.

 

Onderweg naar huis zweette hij van de pijn in zijn been. Bij zijn thuiskomst zat moeder wortelen te schrapen. Haar bril vol oranje spetters. ‘Waar ben je nu weer in verzeild geraakt?’

‘Niets om je zorgen over te maken.’

‘Je gulp staat open. Waarom mank je? En je hand! Wat is er met je hand?’

‘Iemand schoot in mijn been.’

‘Ben je gek? Laat zien!’

‘Het is in orde. Het werd verzorgd.’ Hij vertelde wat er was gebeurd.

Verslagen ging ze zitten. ‘Ik heb geen minuut rust meer met jou.’

‘Het is allemaal voorbij.’

‘Dat dacht je maar. Je kotbaas heeft gebeld.’

Hij nam een Aspro uit het apotheekkastje en schonk zich een glas water aan de kraan.

‘Weet je waarom?’

Hij slikte het pilletje door en dronk een slok. ‘Ik kan me er iets bij voorstellen.’

‘Hij zei dat je het voorbije jaar flink je best hebt gedaan.’

‘Daar heeft hij wel gelijk in.’

‘Met nachtelijke slemppartijen en vrouwelijk gezelschap.’

‘Hij overdrijft.’

‘Je kotste tegen zijn raam.’

‘Dat kwam door de wind.’

‘Hij zei dat je je boeltje mag pakken. Je kamer is verhuurd aan iemand anders.’

‘Wat een klootzak.’

Ze greep een verse wortel uit de emmer. ‘Hoe gaat het met de Ferrara’s?’

‘Ze slaan zich er wel doorheen.’

‘Hoe maakt Lea het?’

‘Ze is erg verminkt en heeft maar één oog meer. Ze is ook een beetje kierewiet in het hoofd. Er is geen enkele spiegel in huis, ze zit hele dagen in het donker en komt al jaren niet buiten. Sinds Gina terug is, komt er terug wat leven in. Ik moest je trouwens de groeten doen.’

‘Ocharme, het schaap.’

‘Bij Sophia is er ook een hoek af.’

‘Ze maakten ook wat mee. Zou je die meisjes vanaf nu niet met rust laten? Telkens als je met hen in contact komt, gebeuren er rare dingen.’

‘Op een of andere manier maken ze me gelukkig.’

‘Hoe zit het met die non?’

‘Over en uit.’

‘Mooi.’

‘Waarom zitten vrouwen zo ingewikkeld in elkaar, ma?’

‘Dat doen ze niet. Het zijn de mannen die de handleiding niet lezen. Over iets anders gesproken. Voor ik vertrek naar Lourdes, wil ik dat alles er piekfijn bij ligt. De stal zit zonder licht, het fietshok is een stort, de oprit een brousse, de ren van de konijnen staat op instorten en in de moestuin verschuilen zich vast enkele Bengaalse tijgers.’

‘Ik beloof dat je met een gerust gemoed zal vertrekken.’

Hij verliet de keuken, trok een andere broek aan en keerde terug. In de woonkamer vlijde hij zich in de sofa. Het speet hem dat hij geen gitaar had gekocht in San Sebastian. Kon hij Heart of Gold oefenen. Hij viel in slaap met zijn gedachten in de Vikingstraat.

Bij het avondeten vroeg moeder: ‘Is het met slapen dat je mijn gemoed tot rust gaat brengen?’

‘Morgen vlieg ik erin.’

 

De volgende dag begon hij aan de karweien. Hij schreef ze eerst allemaal op een briefje, zoals moeder vroeger deed. Telkens er een was afgewerkt, schrapte hij, wat hem grote voldoening schonk. Drie dagen later kreeg hij telefoon van Bianca: ‘René, waar blijf je?’

‘Ik ben aan het werk.’

Haar stem klonk laag en somber. ‘Laten we afspreken.’

‘Wat valt er te zeggen?’

‘Doe niet flauw.’

‘Het is voorbij.’

‘Niet op deze manier.’

‘Dag Bianca.’

 

Op zondag pikte hij Claudia op. Ze huppelde in het rond als een dronken eekhoorn, wat haar het verwijt ‘onnozele gans’ opleverde van Sophia. De hele weg naar Gent zat ze te giechelen en hem uit te horen over zijn trip naar Spanje, gissend naar pikante maneuvers tussen hem en Sophia. Handig omzeilde hij haar gekonkel. Ze moest geen slechte gedachten krijgen.

Ze zagen Carrie. Tijdens de pauze trakteerde hij haar op cola en een emmer popcorn. Ze bleef maar herhalen hoe blij ze was om eindelijk eens in de bioscoop te zijn.

Op de terugweg keek ze de hele tijd stilletjes voor zich uit.

‘Onder de indruk?’ vroeg hij.

Ze schudde het hoofd en keek door het zijraampje. ‘We hadden allemaal dood kunnen zijn.’

‘We zijn niet dood, Claudia, we hebben nog een heel leven voor ons.’

‘Ik had hem nooit mogen binnenlaten.’

‘Je kende hem niet eens.’

‘Hij was zo vriendelijk. Toen hij door had dat ik alleen thuis was met mama, veranderde hij. Ik ben nog nooit zo bang geweest.’

‘Het is goed afgelopen.’

‘Straks krijg ik nog meer nachtmerries.’

‘Gina en Sophia zorgen goed voor je.’

‘En jij,’ zei ze, terwijl ze haar hoofd draaide en hem treurig aankeek.

‘Ik ook. Hoe vond je de film?’

‘Scarry.’

Hij glimlachte. Ze glimlachte ook, met dat lieve engelengezicht en die blauwgrijze ogen die in niets leken op die van haar zussen.

Hij stopte aan de voordeur. Ze bedankte hem en zei dat het de mooiste dag van haar leven was, wat hij een beetje overdreven vond. Daarna ging ze naar binnen. Teleurgesteld omdat niemand naar buiten kwam reed hij naar huis.

 

De dag erop reed hij naar Gent om zijn spullen te halen. Zijn cursussen en boeken lagen nog op dezelfde plaats als twee weken ervoor. Ooit vond hij de inhoud zo boeiend, nu waren het levenloze hompen papier vol wereldvreemde stellingen en axioma’s. ‘Je maakte er een mooie puinhoop van,’ zei hij. Hij leegde zijn bureau en propte alles in de rugzak. ‘Je sprong weer eens in de bres voor anderen. Wie springt er voor jou in de bres?’ Hij opende de kleerkast, rolde zijn kleren op een bol en propte ze eveneens in de rugzak. ‘Wablief? Niemand?’ Hij nam glazen en kopjes en smeet ze boven op de bol kleren. ‘Je gaat de bak in, je laat je in elkaar slaan, omverschieten. Je houdt Sophia van je lijf en wat doet je lieve vriendin? Je bedriegen met je beste vriend.’ Een fles met een bodem Calvados en een bokaal boontjes vlogen dezelfde kant op. Hij hoorde iets breken. ‘En Gina? Je hebt haar gered, fantastisch. Wat levert het op? Zwoele blikken? Wat heb je aan zwoele blikken?’ Hij nam de fles terug, dronk ze leeg en gooide ze in de prullenmand naast zijn bureau. ‘Je had Gina, je had Bianca, je had Sophia. En wat doe je? Ze een voor een door je vingers laten glippen.’ Hij rukte de lakens en de kussenslopen van het bed, maakte er een bol van en stampte ze bij de rest. Hij graaide een cursus van de schappen. De classeur schoot open. Bladen waaierden over de vloer. Hij boog door zijn knieën om ze bijeen te rapen. ‘Ach wat. Theo mag ze houden. Dat hij ze verdomme in zijn gat steekt. Wacht, ik steek er zijn kot mee in brand.’ Hij pleurde de rest van zijn cursussen er bovenop. ‘Eén lucifer en wham! Alles weg, kot weg, Theo weg, Nieuwelinck weg. Opgeruimd staat netjes.’ Hij lachte schamper. ‘Klaas zal in zijn vuistje hebben gelachen. De vuile Hollander. Komt hier mijn lief afpakken met zijn mooie praatjes.’

Hij keek een laatste maal rond. ‘Ik ga in de bossen wonen, tussen de konijnen, de everzwijnen, als een heremiet, een echte. Ze kunnen allemaal de pot op.’

Hij haalde de pin-ups van de muur. Er werd aangeklopt. ‘Als jij het bent, Theo, schop ik je de trap af.’ Hij opende de deur en liet van verbazing de poster openrollen van de zuiderse met de lelieblanke borsten.

‘Met boeiende zaken bezig?’

Hij rolde de foto op.

‘Tegen wie praatte je?’

Hij keek om. ‘Niemand.’

‘Ik hoorde je praten.’

‘Je ziet ze vliegen. Kom je me iets te vertellen?’

‘Ja.’

‘Ga je gang.’

‘Moet dat hier op de overloop?’

Hij liet haar binnen.

‘Aan het verhuizen?’

‘Ik word eruit gegooid.’

‘Jij ook al. En nu ga je een kampvuur maken?’

‘Hoe wist je dat ik hier was?’

‘Zuster Virginie kocht de kotbaas om.’

‘Heeft hij nog altijd niet door wie je bent?’

‘Blijkbaar niet.’

‘Wat een rund.’

Ze pakte zijn hand en troonde hem mee naar het bed.

‘Auw.’

‘Sorry. Wat is er gebeurd?’

Hij vertelde over het gevecht met Akil. Ze bekeek hem met een blik vol ongeloof. ‘René, je bent een held.’

‘Wil iedereen nu eens eindelijk zwijgen over dat heldengedoe.’

‘Je verdient een standbeeld.’

‘Tja, eentje van karton. Kan je in de fik steken als je het beu bent.’

‘Het spijt me dat ik er niet voor je was bij je thuiskomst.’

‘Je had Klaas.’

‘Klaas is jij niet.’

‘Ha! Je meent het. De achterbakse Hollander.’

‘Ik ga naar Nederland.’

Hij zakte in elkaar. ‘Waarom?’

‘Ik mag aan de slag in een van de filialen van zijn vader. In de buurt van Amsterdam.’

‘Daarom dus.’

‘Waarom dus?’

‘Je bedankte hem in natura.’

Ze gaf hem een klap tegen zijn arm. ‘Dat is smerig. We hadden het toch goed samen?’

‘Ja, alleen was het nogal snel voorbij.’

‘Ik verlaat Vlaanderen. Mijn verleden blijft me achtervolgen.’

‘En in Nederland hoop je rust te vinden? Pas maar op, met die gereformeerden en zo.’

‘Was jij altijd zo vroom onderweg met Sophia? Heb je haar niet begeerd? Ze is zo verdomd knap.’

‘Heeft ze je weer opgebeld?’

‘Nee.’

‘Het was eerder andersom.’

Ze stootte een geforceerd lachje uit. ‘Je meent het. Je ging met haar naar bed?’

‘Er was slechts één bed vrij in dat hotel.’

‘Wat een excuus. Je hebt dus een potje gevreeën.’

‘Gevreeën? Gevochten! Ze vermoordde me bijna. Ze flikkerde de halve inboedel van het hotel naar mijn hoofd.’

‘Leuke reisgezel.’

‘Daarna hebben we ons verzoend.’

‘En een potje gevreeën.’

‘We sliepen gewoon in één bed. Meer niet.’

‘En ik moet dat geloven.’

‘Er was wel iets.’

‘Zie je wel, bedrieger. Vertel op.’

‘Ze was bijzonder handtastelijk. Ze heeft misbruik van me gemaakt op een erg kwetsbaar moment. In dat ziekenhuis in Spanje lag ze ineens in mijn bed. Ik kon geen kant op.’

Ze wreef over zijn dij. ‘Arme René.’

‘Ik moest haar laten begaan.’

‘Arme stakker. Was het leuk?’

Hij knikte.

‘Dan is het goed.’

‘Het spijt me.’

‘Mij ook.’

Hij keek opgelucht in haar blauwe ogen. ‘Vrienden?’

Ze omhelsde hem. ‘Natuurlijk.’

‘Waar is Klaas?’

‘Hij wacht op straat. Hij durfde je niet onder ogen te komen.’

‘De achterlijke gladiool.’

Ze lachte. ‘Kom, laten we hem uit zijn lijden verlossen.’

Hij nam zijn rugzak en aanschouwde een laatste maal de puinhoop in de kamer. Opgelucht sloot hij de deur achter zich.

Klaas stond sullig voor de Fiat, alsof het wagentje aan de ketting lag aan een van zijn enkels.

‘De Heremiet?’ vroeg René.

Klaas zijn gezicht klaarde op. ‘Godsamme, Nieuwelinck, ik vreesde dat je het nooit meer zou vragen.’

In de Heremiet vertelde René zijn versie van de reddingsmissie. ‘Hoe ziet jouw toekomst eruit?’ vroeg hij na afloop aan Klaas.

‘Ik mag eindelijk archeologie studeren van mijn ouweheer. In Amsterdam.’

‘Ik ben blij voor je.’

‘En jij? Waarmee ga jij je tijd verdoen?’

‘Ik twijfel. Misschien studeer ik psychologie. In ieder geval iets helemaal anders.’

‘Wijze beslissing. Houden we contact?’

‘Tuurlijk.’

‘Nieuwelinck. Je bent nog de slechtste niet.’

‘Weet ik. En nu ga je eikel zeggen.’

‘Dat zeg ik nooit meer. Vanaf nu zeg ik alleen nog: kanjer.’

‘Klinkt hartstikke ontzettend mesjogge, man.’

‘Eikel.’

 

Drie dagen later vertrok Renés moeder naar Lourdes. Vooraf had ze in kunstige letters een blad vol verordeningen geschreven.

Als ge bij de konijnen gaat, eerst fluiten, dat ze niet verschieten en doodvallen, en zie dat de lammeren niet uitbreken! maïs strooien aan de kippen, de maïs is bijna op, en de eieren roven, voor de noen of ze zijn kapot!!! geen water spuiten op de spinnen of den elektriek valt uit!!! en dode muizen en ratten op de mesthoop smijten.

Verder waren er nog onkruid wieden en grasmaaien, enkele vermaningen over lichten doven en verwarming uitzetten hoewel het hartje zomer was.

Hij bracht haar in de vroegte naar het station van Oudenaarde waar een groepje vrouwen en een nog grotere troep nonnen wachtten op de bus.

‘Over tien dagen ben ik terug,’ zei ze.

‘Geniet ervan.’

‘Je doet alles wat ik opschreef?’

‘Tot in de puntjes.’

‘Je rooft de eieren?’

‘Zeker.’

‘Breng me naar huis.’

‘Doe niet onnozel. Je hebt betaald, dus je vertrekt.’

‘Het zijn allemaal nonnen.’

‘Ik zei het toch. Heb je een krant?’

‘Nee, vergeten.’

‘Ik koop er vlug een.’ Hij liep naar het krantenwinkeltje rechtover en kocht Het Volk, Het Rijk der Vrouw en een puzzelboekje met kruiswoordraadsels. De bus was intussen gearriveerd en de reistassen werden ingeladen.

Moeder had een oude bekende gevonden, een vriendin waarmee ze vroeger schoolliep. Ze leek enigszins opgelucht. ‘Ga je de konijnen …’

‘Ja ja, en de kippen, de lammeren, de ratten, de muizen, de spinnen enzovoort.’

Hij wachtte tot de bus vertrok en wuifde haar na. Daarna keerde hij terug. Het voelde vreemd in huis zonder haar.

 

Gina belde. Of hij langs wilde komen want dat ze een verrassing had, en dat hij zich netjes moest kleden. Zijn dag fleurde op. ‘Wanneer?’

‘Morgen.’

In de namiddag reed hij het gras af op de boomgaard met laagstammen en liep de hele tijd te godverdommen omdat de machine voortdurend stilviel op de talrijke molshopen die als een bergketen doorheen het grasveld slingerden. De dag erop vertrok hij in de vroegte naar Menen. Toen Gina de deur opende, floot ergens een vogel. Tot hij besefte dat hij het was die floot. Ze had haar haren laten knippen in een warrige pony en een halflange golvende bob. Ze droeg een stijlvolle etui-jurk en pumps. Haar smaakvolle make-up en het bouquet van haar exquise parfum benamen hem de adem. ‘Wat een gedaanteverwisseling. Wat staat er op het programma?’

‘Ik heb je advies nodig.’

 

OceanofPDF.com