De Parisienne

André Van Butsel · Chapitre 30 sur 40

Pages du PDF

De Parisienne

Chapitre 19

Now there’s a look in your eyes,

like black holes in the sky

Pink Floyd – Shine On You Crazy Diamond

 

De dag erop sliepen ze uit. Hij nam zich voor om Sophia op afstand te houden, hoewel zijn vlees zwak was en zijn bloed heet. Nog één zo’n vonk als die op San Antón en hun trip stond in lichterlaaie. Wat zou Gina denken – gesteld dat ze haar vonden, wat lang niet zeker was – als ze merkte dat hij te doen had met haar minderjarige zus?

‘We nemen de rugzakken mee,’ zei hij.

‘Waarom? We verlaten niet eens de stad.’

‘Ik voel me veiliger met een rugzak.’

Mokkend keerde ze terug naar de slaapplaats.

 

Om tien uur namen ze de bus naar de barrio Altza. Al snel ontrolde zich voor hun ogen een totaal ander San Sebastian dan de bruisende binnenstad. Altza was een wijk van flatgebouwen. Ze leken allemaal op elkaar en oogden grimmig en weinig gastvrij voor reizigers. Tientallen torenkranen tekenden zich af tegen de grijze lucht, buigend over een uitdijende olievlek van bouwwerven met nog meer flats in aanbouw. De woonblokken hadden zonder uitzondering balkonnetjes met koorden waaraan hemdjes, handdoeken, lakens, kussenslopen en onderbroeken hingen te drogen. Terwijl ze wachtten voor een verkeerslicht, kieperde een vrouw vanop de derde verdieping van een flatgebouw een vuilniszak op de stoep. De zak plofte open. Lege conservenblikjes rolden over straat en plastic zakken werden meegevoerd door de wind om te eindigen in de kruin van een boom. Wat verder passeerden ze een brugje over een met vuilnis besmeurde beek. Op straat doolden zwerfhonden met de kop in de grond. Kinderen met vuile gezichten, sluik haar en smoezelige kleren speelden met een bal. Op zowat elke straathoek stond een agent van de Guardia Civil met een mitrailleur. Ze stapten uit op een plein en gingen onder een boom zitten om de buurt gade te slaan en een plan te beramen.

‘Toon me nu eerst die foto,’ zei hij.

‘Je weet hoe ze eruitziet.’

‘Ach zo. Gina staat er ook op?’

Ze knikte.

‘Ze was dertien, dat is acht jaar geleden.’

‘Het is gewoon een vakantiekiekje voor die stomme Eiffeltoren.’

‘Toon me nu de foto of ik laat je hier terplekke achter en je kan alleen naar huis!’

‘Je bent weer kwaad op mij.’

‘Ja. Nee! De foto!’

‘Doña Ximena zei dat ik sprekend op haar leek. Dus als je haar wil zien, kijk naar mij in plaats van voortdurend mijn blik te ontwijken.’

‘Ik wil weten hoe die Bask eruitziet als ik hem tegenkom.’

‘Gewoon, zoals alle Basken: bruin, snor, zwart haar en een sigaret in de bek.’ Met tegenzin haalde ze de foto uit een leren etuitje. Hij kreeg het vreemd warm vanbinnen. Nu begreep hij waarom Sophia de foto zo angstvallig had achtergehouden. Gina was niet langer het openbloeiende pubertje van dertien waar hij zo verliefd op was geweest, maar een adembenemend mooie vrouw. Ze droeg een tomaatrode jurk met madeliefjesmotief en de diep uitgesneden hals gaf uitzicht op de welvingen van haar boezem. Om haar nek hing een parelsnoer en om haar rechterpols blonk een gouden armband. Hij glimlachte bij het zien van het minuscule litteken onder haar linkeroog. Met een blik vol vertrouwen keek ze in de lens van de fotograaf.

‘Hou op met krabben.’

Hij keek verbaasd naar de hand die aan het litteken op zijn slaap krauwde.

‘Genoeg gezien?’ Ze trok de foto uit zijn handen.

‘Wacht nou even, ik wil die Bask even bekijken.’

Ze gaf hem de foto terug. Pas nu bekeek hij de jongen, een man eigenlijk, een stuk ouder. Hij keek stuurs voor zich uit, met donkere bollen van ogen als die van de witte mensenhaai uit Jaws. Zijn rechterarm hing bezitterig om haar schouders. Hij had een driehoekige borstkas als die van Bruce Lee en armen als scheepskabels en zoals Sophia zei een getaande huid, donker haar, een snor en een peuk tussen de vingers. Was dit de vriend die haar zo deed schitteren? Diep in Renés binnenste stortte een flatgebouw van dertien verdiepingen in elkaar. Hij slikte en liet de foto op de grond dwarrelen.

Sophia raapte hem op. ‘Tevreden met wat je zag?’

Hij was kapot. Hij was haar kwijt. Hij wilde naar huis.

‘Moet je zien,’ zei Sophia. Wat verderop speelde zich een bizar tafereel af. Een vrouw had net een foto gemaakt van een agent. De agent liep op de vrouw af, grabbelde de camera, klapte het dekseltje open, floepte het fotorolletje eruit, trapte het kapot en smeet de camera voor haar voeten. Hij nam het vermorzelde rolletje, trok het fotolint eruit en hing het om de hals van de vrouw. Daarna keerde hij terug naar zijn post. De vrouw keek verbijsterd naar de overblijfselen van haar camera en begon te huilen.

‘Die flikken hier zijn echte smeerlappen,’ zei Sophia.

‘Ik wilde hen nochtans een bezoekje brengen.’

‘Hoezo?’

‘Om het adres te vragen van de Elizondo’s.’

‘Het adres van een terrorist in de bak?’

‘Ze zullen hem toch wel kennen.’

‘In het hol van de leeuw?’

‘We hebben toch niets misdaan?’

‘Die vrouw misdeed ook niets en je zag de gevolgen. Ze mag van geluk spreken dat ze geen pak rammel kreeg.’

‘We vragen gewoon het adres van een inwoner. Wat is daar verkeerd aan?’

‘Waarvoor zat de vader ook alweer in de bak?’

‘Dat zei Kattalin niet, alleen dat hij bij de ETA was. Misschien heeft hij aanslagen gepleegd.’

‘Jij je zin. Maar niet bij deze ellendeling.’

‘Ik zag op de heenweg niet ver hier vandaan een politiekantoor.’

Ze liepen terug tot aan een rotonde waar zich het kantoor bevond. Naast de deur stond een agent met de gekende uitrusting. Sophia vroeg hem in het Frans naar het adres van de familie Elizondo. De man bekeek haar argwanend. Ze schakelde over op Engels, waarop hij ‘wait’ zei, wat klonk als ‘waait’. Hij ging naar binnen en kwam even later terug met de mitrailleur in de handen. Hij stelde zich op achter hen. Een andere agent, met een kepie en een iets donkerder uniform, kwam ook naar buiten. ‘Come in,’ zei de man.

Ze passeerden een onthaalruimte met een balie en liepen verder door een korte gang met aan weerszijden burelen. De officier zijn kantoor lag aan het eind van de gang. Rechtover was een stalen deur met een grendel. Hij nam plaats achter zijn bureau. ‘Sit down.’ Ze ontdeden zich van de rugzakken en gingen rechtover hem zitten. De agent vatte post naast de deur, nog steeds met het machinegeweer in de handen.

René kreeg het vage gevoel dat er iets fout aan het lopen was. Hij keek naar Sophia en zag angst in haar ogen. De officier vroeg iets aan de agent. ‘Sí comandante,’ antwoordde de man, waarop hij de rugzakken op een tafel plaatste en de complete inhoud leegmaakte. Ook het vermaledijde stukje rotte camembert kreeg een plaats. Sophia volgde met groeiende verontwaardiging het tafereel. Het etuitje met haar paspoort, geld en de foto gaf de agent aan zijn overste. Die leunde achterover en glimlachte. Hij draaide de foto om en las wat er achteraan op stond. De agent positioneerde zich nu pal achter Sophia. Een pinnige klik uit het machinegeweer klonk René in de oren als een kanonschot.

De commandant vroeg in vloeiend Engels aan Sophia: ‘Waar is deze man?’

Ze bekeek hem hoogst verwonderd. ‘Dat kwamen we aan u vragen, meneer.’

‘Laat me het anders stellen. Waar verbergt dit varken zich?’

‘Weet ik niet. We zijn zelf op zoek naar hem.’

De commandant schoot vooruit in zijn stoel, sloeg met de vlakke hand op zijn bureau en riep: ‘Je staat er verdomme mee op de foto!’

‘Dat ben ik niet.’

‘Lieg niet, trut.’

‘Het is mijn zus.’

Hij onderwierp de foto aan een nieuw onderzoek. ‘Je liegt.’

‘Ik lieg niet, meneer. Op de foto staat Gina, mijn zus.’

Op een teken van zijn overste greep de agent haar bij de haren. ‘Nog één keer. Waar is Akil Elizondo?’

Sophia werd bloedrood. Met een van pijn vertrokken gezicht zei ze: ‘Ik weet het echt niet, meneer.’

René stak zijn hand omhoog. ‘Sorry meneer, ik kan het verklaren …’

‘Zwijg!’ snauwde de man. Hij keek op zijn polshorloge en stond op. ‘Volgen.’ Hij verliet het kantoor en opende de gepantserde deur aan de overkant die uitgaf op een ruimte met cellen. Hij dwong hen een cel naar binnen. ‘Denk eens goed na wat jullie straks gaan antwoorden.’ Hij draaide de getraliede deur op slot en keerde terug naar zijn kantoor. De agent smakte de stalen deur achter zich dicht.

‘Nu zijn we echt in de aap gelogeerd,’ zei René.

‘Ik zei nog dat het smeerlappen waren. Waar zijn we in godsnaam mee bezig?’

‘Aan een carrière in het cachot, zo te zien.’

Ze kamde met haar vingers door haar haren. ‘Dit loopt compleet uit de hand. Die stommelingen denken dat we terroristen zijn. Te belachelijk voor woorden.’ Ze ging op een van de britsen zitten.

‘Doe dat niet. De matras zit wellicht vol luizen en is zeker al tientallen keren ondergekotst.’

Ze veerde op als gebeten door een ratelslang.

‘Als ze doorhebben dat we toeristen zijn in plaats van terroristen, laten ze ons wel gaan.’

Ze wreef over haar kruin. ‘Stelletje bruten. Ze zagen toch onze rugzakken en onze paspoorten.’

‘Doet het pijn?’

‘Ik ben een handvol haar kwijt. Straks schop ik die kerel zijn kindergeld overhoop.’

‘Hou je nog even in, wil je.’

Ze gingen op de grond zitten, hun rug tegen de tralies. Het was twaalf uur. Zijn maag rommelde. ‘Ik heb honger.’

‘Hoe kan je nu aan eten denken?’

Een hele poos later verschoof de grendel in de stalen deur. De agent opende de cel en nam hen mee naar het kantoor van zijn superieur. Die trok een servet uit zijn boord en veegde er zijn mond mee af. Op zijn bureau stond een bord en een beduimeld wijnglas. In zijn snor prijkten broodkruimels.

‘Zo, dat heeft gesmaakt. Hebben jullie intussen nagedacht?’

‘Excuseer meneer,’ zei René, ‘maar Sophia, hier naast mij, is niet het meisje op de foto. Ik zal het bewijzen.’

De man leunde achteruit. ‘Ik luister.’

‘Mag ik de foto alsjeblieft?’

De man wierp de foto over zijn bureau. René wees naar het litteken onder Gina’s linkeroog. Vervolgens wees hij naar het linkeroog van Sophia. ‘Zie je? Litteken. Geen litteken. Dit is Gina. Dit is Sophia.’

René gaf hem de foto terug. De man keek een paar keer heen en weer van de foto naar Sophia. ‘Jullie kennen de klootzak dus niet?’ vroeg hij, tikkend met de vinger op de foto.

‘Nee,’ zeiden ze in koor.

Hij bekeek hun paspoorten. ‘Belgen. Wat komen jullie hier doen?’

Sophia zuchtte opgelucht. ‘We zoeken mijn zus. We hebben al twee jaar niets van haar gehoord. We vrezen dat ze in de problemen zit.’

‘Wie omgaat met de kale borroka weet waaraan zich te verwachten.’

René voelde het bloed wegtrekken uit zijn gezicht.

De chef stond op. ‘We gaan een ritje maken. Raap jullie spullen bijeen en volg me.’

Ze haastten zich om alles in de rugzakken te proppen, zonder te kijken wat van wie was. Sophia mikte het rotte stuk camembert onder de commandant zijn bureau. Daarna gingen ze naar buiten waar hij hen opwachtte in een lichtgroene Land Rover met een witte kap. Zijn adjudant gebood hun achteraan plaats te nemen. René huiverde bij de gedachte dat ze wel eens konden worden ontvoerd naar een bos, om er na martelingen met klauwhamers en kniptangen te worden doorzeefd met kogels, waarop hun kadavers zouden worden afgekluifd door bruine beren en Pyreneeënwolven.

De chef had gelukkig andere plannen. Hij reed met hen door de barrio en stopte voor een verwaarloosd bakstenen appartementsblok. Ook hier het gekende uitzicht van balkonnetjes met koorden vol huislinnen en ondergoed. Ze stapten uit. De chef wenkte een agent die wat verderop voor een bankgebouw stond. Hij sprak een paar bevelen uit en de agent posteerde zich voor de ingang.

Ze liepen een smerige trap naar omhoog tot op de tweede verdieping. Het stonk er naar urine. De commandant ramde met zijn vuist op de deur van nummer 202. ‘Guardia Civil. Abre.’

Er werd niet meteen opengedaan, waarop hij nog harder bonkte. ‘Abre!’

Een schuw meisje van een jaar of twaalf deed open. De commandant liep naar binnen. De agent gaf Sophia en René een duw in de rug. Het appartement zag eruit alsof er een explosie had plaatsgevonden van een kledingbom. Op elke tafel, elke stoel, kast, zitbank, vensterbank, lagen kledingstukken. Aan een naaimachine zat een gezette vrouw van middelbare leeftijd met een floeren werkbroek op schoot. Het schuwe meisje verborg zich achter haar rug. De chef sprak in het Spaans tegen de vrouw. Ze kromp ineen en schudde het hoofd. Hij wees naar Sophia en uit de woorden en gebaren meende René te begrijpen dat hij vroeg of ze Sophia kende. Even meende hij een glimlach over het gezicht van de vrouw te zien, maar dan schudde ze opnieuw het hoofd. ‘No, señor.’ De commandant stelde nog meer vragen waarin de namen van Gina en Akil doorklonken. De vrouw bleef met het hoofd schudden, waarop hij machteloos de armen in de lucht wierp. ‘Puta madre,’ en tegen Sophia en René: ‘Eruit!’ waarop hij vloekend het appartement verliet.

Beneden had zich een kleine menigte gevormd aan de ingang. De chef sprong in zijn terreinwagen en draaide de ruit omlaag. ‘Als jullie hier morgen nog rondhangen, sluit ik jullie terug op in mijn rijkshotel. Alleen zal het dan wat langer duren. Begrepen?’

Ze knikten. De man zette een zonnebril op en stoof volle gas weg. De menigte droop af. René en Sophia gingen zitten op de stoep. De zon brak door het grijze wolkendek.

‘Rijkshotel, de zeveraar,’ zei René.

‘Rijkshotel Fermin, klinkt nog goed ook.’

‘Fermin is zijn naam?’

‘Stond op het naamplaatje in zijn kantoor.’

‘Je was zo stoer.’

Ze rilde. ‘Bij het horen van de klik in dat geweer dacht ik dat ze mij gingen doodschieten.’

‘Ik moest denken aan dat koppel in die film van Bertolucci. Il Conformista. Heb je hem gezien?’

‘Ik ben nog nooit naar de cinema geweest, René.’

‘Gruwelijk hoor. Ze brachten een man en een vrouw naar een bos. Eerst staken ze de man dood met messen en daarna zaten ze zijn vriendin achterna en schoten haar dood.’

Een uitgemergelde zwerfhond met klitterig haar kwam voor hen zitten. Sophia stak haar hand uit. De hond likte eraan. ‘Hoe is Gina zo kunnen ontsporen?’

‘Misschien had ze geen keus.’

‘Ik hoop dat je gelijk, hebt.’

Haar woorden verrasten hem. ‘Natuurlijk heb ik gelijk.’

De hond legde zijn kop op Sophia’s knieën. Ze krabde hem achter de oren. ‘We vinden haar nooit.’

‘Ik geef het niet op. Als we nu eens terugkeren naar die vrouw met dat kind.’

Sophia keek om. ‘Dan moet je wel eerst voorbij die agent.’

Hij volgde haar blik. ‘Die was ik vergeten.’

‘Wie waren die mensen, denk je?’

‘Wellicht familie van die Bask.’

‘Nog ideeën?’

‘Niet meteen.’

‘Als zelfs die klootzakken van de Guardia Civil haar niet vinden, hoe vinden wij haar dan?’

‘Wij zijn geen klootzakken.’

‘Als we nu eens rondvraag doen in de buurt.’

‘Iedereen zal zwijgen.’

‘Waarom?’

‘Sophia, komaan, Akil is een terrorist.’

De hond sloot de ogen en zag er gelukzalig uit. Ze aaide over zijn kop. ‘Wat nu? Terug naar huis? Nu we zo dicht zijn genaderd.’

‘Tja. Hier blijven rondhangen heeft ook geen zin.’

Sophia stond op. ‘Einde van de rit.’

‘Volgend jaar opnieuw?’

‘Waarheen?’

‘Belfast lijkt me wel wat.’

Ze vertrokken richting bushalte, achternagekeken door de hond. Wat verder werden ze op de schouders getikt. Achter hen stond het schuwe meisje uit het appartement. Ze pakte Sophia bij de hand en liep over de rotonde naar enkele verpauperde woonblokken verderop, langs het beekje vol huisvuil, over een brugje, via de achterkant van nog een paar woonblokken over een braakliggend terrein. Ze stopten bij een uitzonderlijk armoedig vaalwit appartementencomplex dat er erg verlaten uit zag. Het meisje sprak geen woord en liep als een hazewind de trappen omhoog naar de overloop op de derde verdieping. Ze gebaarde dat ze er moesten wachten. Ze liep door de gang en klopte halverwege op een deur. Na een poosje werd ze binnengelaten.

‘Wat betekent dit nu weer?’ vroeg René.

Het meisje opende de deur en wenkte. Ze volgden haar naar een woonkamer volgestouwd met hemden, broeken, handdoeken, jurken, blouses en rollen textiel. Van chaos was hier geen sprake. Alles lag netjes gestapeld, soort bij soort. In het midden van de ruimte stond een grote tafel met een stuk ruw textiel waarop een knippatroon was gespeld. In het verlengde van de tafel een naaimeubel van Singer met een zwarte naaimachine en een gietijzeren onderstel met voetpedaal. Aan het afgesleten houten werkblad hingen vier lades. René kende het type van thuis.

Het meisje liep naar een aanpalende ruimte, vermoedelijk een keukentje. Even later kwam ze terug, gevolgd door een vrouw in een schort met vlekken, daaronder een verschoten jurk met een flets bloemenmotief, versleten wollen pantoffels van het soort dat bejaarde mensen dragen. Ze zag ziekelijk bleek en had blauwe schaduwen in de oogkassen. Haar papierachtige huid zat strak over haar schonkige jukbeenderen en haar haren staken in pieken omhoog als de bolster van een kastanje. In haar bovenlip zat een snee. Ze wreef verwoed met haar handen over de schort alsof ze nat waren en niet wilden drogen. Met vermoeide ogen keek ze op naar de bezoekers. Ze verstarde en werd zowaar nog bleker. Ze sloeg haar handen voor de mond en begon te wankelen. Het meisje hield haar overeind.

René en Sophia keken toe, met stomheid geslagen. René herstelde zich als eerste. Hij liep behoedzaam naar de vrouw, traag alsof hij een wild dier besloop dat bij het minste onraad weg zou vluchten, want zo zag ze eruit, schichtig, angstig als een hinde, opgejaagd door een meedogenloze jager. Hij nam haar handen en sloot ze in de zijne.

Ook Sophia kwam erbij. Ze omhelsde de vrouw en zei met verstikte stem: ‘Daar ben je. Eindelijk.’

Zo bleven ze staan, René met Gina’s handen in de zijne, en Sophia die haar omhelsde. Het meisje keek verwonderd van de een naar de ander. Hij leidde Gina naar een stoel aan de tafel. ‘Gaat het?’

Ze schudde haar hoofd en verborg haar gezicht in haar handen. Haar schouders schokten. Ze huilde, geluidloos, benauwd om iemand op te schrikken. Dan nam ze een zakdoek en veegde haar gezicht droog. Haar ogen glinsterden, zoals een maan kan glinsteren in de rimpeling van een oceaan. Ze kneep in Sophia’s hand en glimlachte. Ze bekeek René met een mengeling van verwondering en ongeloof.

Sophia verplaatste een stapel kleren en ging naast haar zitten. ‘Ken je ons nog?’

Ze knikte en schoot door haar ontroering heen in een schril lachje. ‘Ik geloof mijn ogen niet.’ Opnieuw rolden tranen over haar wangen.

René glimlachte.

‘Kom dan toch,’ snikte ze.

Hij hurkte naast haar en omhelsde haar teder, alsof ze van porselein was en ze bij de minste aanraking in duizend stukjes zou breken. Haar handen waren mager, haar nagels gescheurd.

Gina nam het meisje op schoot. ‘Idoia, cariño. Qué me estás haciendo?’

Het meisje straalde.

René nam plaats rechtover hen. ‘Wie is dit meisje?’

‘De zus van Akil.’

Bij het horen van de naam, kromp het meisje ineen. Gina streelde haar haren. ‘Rustig, cariño, ik ben er.’

‘Waarom zegt ze niets?’

‘Ze spreekt niet meer, nadat Akil haar halfdood had geschopt.’

‘Waarom doet hij zoiets?’

‘Omdat … omdat …’ Ze haalde diep adem. ‘Omdat ze een brief van mij naar het postkantoor bracht. Voor Lili, iemand in Parijs. Hij schopte haar zo erg dat ze naar het ziekenhuis moest. Ik kreeg het al even hard te verduren. Ik kon dagenlang niet meer … niet meer …’ Ze begon opnieuw hevig te snikken.

René nam haar hand. ‘Rustig.’

‘Wat een smeerlap,’ zei Sophia grimmig.

‘Alleen ik begrijp haar. Alleen ik dring tot haar door.’

‘Arme meid,’ zei Sophia, strelend over Idoia’s haren. ‘Gina, je moet hier weg.’

‘Ik kan haar onmogelijk achterlaten.’

‘En wij laten jou niet achter.’

‘Hij slaat zelfs zijn moeder.’

‘Slaat hij jou ook?’ vroeg René, hoewel hij het antwoord voor zich zag.

Ze boog haar hoofd.

‘Wat een schoft.’

Sophia keek wanhopig naar René. ‘Gina, wat is er gebeurd? Hoe zie je eruit? Je zou twee jaar geleden naar huis komen. En nu verkommer je … tussen … tussen … werkbroeken en overhemden? Je bent modeontwerpster.’

‘Ik ben bang.’

‘Laten we inpakken. Zeg wat ik moet doen.’

‘Zo bang.’

‘Je moet hier onmiddellijk weg,’ zei René, ‘je gaat met ons mee. Wat vind je daarvan?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Haal de Guardia Civil. Hij is levensgevaarlijk.’

Op dat moment zwaaide de deur open.

 

OceanofPDF.com