De Parisienne

André Van Butsel · Chapitre 33 sur 40

Pages du PDF

De Parisienne

Chapitre 22

You got your demons, you got desires

Well, I got a few of my own

Eagles - One of These Nights

 

Gina ging hen voor naar de hoger gelegen verdieping.

‘Delen jullie een kamer?’ vroeg René.

‘Waarom?’ vroeg Gina.

‘Minder overlast voor mevrouw Liane.’

‘Maak je daarover geen zorgen. Er is dienstpersoneel.’ Gina verdween in een kamer aan het eind van de gang.

‘Laten wíj dan een kamer delen,’ zei Sophia.

‘Sophia, we gaan hier onze manieren houden.’

‘Gisteren had je anders weinig last van schone manieren.’

‘Je liet me ook weinig keus.’

Ze draaide zich om. De heisa waarmee ze de ene deur na de andere opende en dichtsmeet klonk hem net iets te hard in de oren. Hij opende de eerste deur aan de linkerkant. Een ruime kamer met een tweepersoonsbed, een open haard met een marmeren schouwmantel, een kaptafel die kreunde onder de vrouwenspulletjes. In het midden van de vloer vlak voor een raam stond een bad met glooiende randen. Hij kon het concept maar moeilijk vatten en inspecteerde voor alle zekerheid of er wel een afvoer was. Hij opende de inloopkast. Pech. Vrouwenkleren. Hij besloot de kamer toch te behouden want het bad intrigeerde hem. Hij liet het vollopen, strooide er een handvol badzout in, kleedde zich uit en legde zich drie kwartier te week. De pijn werd een stuk draaglijker. Daarna trok hij zijn kleren aan, kamde zijn haar en ging naar beneden. De zussen zaten naast elkaar in de blauwe sofa. Gina leek al wat op te fleuren. Haar haren glansden en op haar wangen zat een lichte blos. Ze had een discreet laagje make-up aangebracht waardoor haar gezicht minder getrokken leek, maar haar geprononceerde sleutelbeenderen konden haar magerte niet verhullen. Ze droeg een donkerblauwe, diep uitgesneden avondjapon. Sophia droeg een bordeauxkleurig tuniekjurkje, aan de voeten naaldhakken met enkelriempjes.

Gina glimlachte. ‘Vergeet je niet te ademen, René?’

Sophia keek verontwaardigd. ‘Je houdt het niet voor mogelijk. Loopt hij nu nog rond in die zwerverskleren.’

Gina nam René terug mee naar boven. Ze loodste hem de kamer binnen naast die van hem. ‘Van Jean-Michel,’ zei ze.

Ze opende een inloopkast en koos een pantalon, een bijpassend hemd met korte mouwen, een trui en lichtbruine mocassins. Ze wilde hem ook een halskettinkje omdoen, maar hij weigerde met de woorden: ‘Ik ben Alain Delon niet.’ Terwijl hij zich omkleedde zat ze op het bed met haar rug naar hem toe. Hij bekeek zichzelf in de spiegel.

‘In orde zo?’

Ze ging voor hem staan, schikte de kraag van zijn hemd, opende het hemd tot aan het derde knoopsgat en stak een ceintuur in zijn broek. ‘Dat ziet er al beter uit.’ Ze beroerde de wonde aan zijn sleutelbeen. ‘Wat is dit?’

‘Een bijtwonde. Van Akil. Kan je niets doen aan die buil?’

‘Ik kan proberen. Kom mee naar mijn kamer.’

Daar aangekomen zei ze: ‘Neem plaats op het bed.’

Ze koos wat make-up spullen, ging vlak voor hem op een kaptafelkrukje zitten en begon aan het karwei. Hij volgde geconcentreerd haar bewegingen, versmolt met het oriëntaalse aroma van haar parfum, wilde haar aanraken maar durfde niet. Wat had ze doorstaan? Zou ze de kracht vinden om terug te krabbelen? Hoe vaak hadden ze elkaar hun grootste geheimen verteld en hun diepste zielenroerselen onthuld, elkaar gesteund in goede en kwade dagen zoals dat heet? Kwam die band ooit terug? Natuurlijk niet. Hij had Bianca. Wat een ironie. Gevlucht voor een gewelddadige vader om te eindigen in de armen van een nog gewelddadiger man. Was ze blind geweest voor Akil zijn smeulende agressie? Of was hij het die, verblind door fanatisme, was afgegleden in een spiraal van geweld?

‘Wat heb je met mijn zus?’ vroeg ze.

Haar vraag verraste hem. ‘Sophia is …’

‘Ja?’

‘Nogal wisselvallig.’

‘Hoezo?’

‘Nu ze voor het eerst weg is van huis heeft dat wat vreemde bijwerkingen. De ene keer wil ze me vermoorden, de andere keer wil ze me in bed.’

‘En? Is het wederkerig?’

‘Ik haar vermoorden? Nee hoor.’

Ze lachte. ‘Nog altijd een beetje loco. Ik bedoelde dat bed.’

Het Spaanse woordje maakte zowaar de afstand wat kleiner. ‘Ik hou van haar, maar niet op die manier. Ik heb immers een lief. Ze maakt het me wel knap lastig.’

‘Zoals in die kliniek?’

Hij bloosde. ‘Sophia kan erg … doortastend zijn.’

‘Vertel.’

‘Moet dat?’

Ze glimlachte. ‘Nee, natuurlijk niet. Ik plaag je maar.’

Hij wees naar de snee in haar lip. ‘Doet het pijn?’

‘Nee. Sinds ik jullie terugzag niet meer.’

Ze raapte haar spullen bij elkaar. ‘Meer kan ik niet doen.’

Hij bekeek zichzelf in de spiegel. ‘Je deed je best.’

Ze gingen naar beneden. Sophia begroette hen met een stuurse blik. René kon intussen een hond rauw verslinden van de honger. Ze gingen naar de eetkamer voor het diner dat bestond uit een voorgerechtje met zalm, een hoofdgerecht met ossenhaas, gratin dauphinois, warme groenten en een dessert met tiramisu en bosvruchten. De bijhorende wijn toverde ongekende smaaksensaties in Renés mond. Twee zilveren kandelaars met kaarsen zorgden voor een erg romantische toets. Hij kneep zichzelf stiekem in de arm om te controleren of hij niet hallucineerde. Het was ronduit een koninklijke maaltijd na al dat stokbrood met stinkkaas van de voorbije week. Gina at als een muis, in weerwil van Lili’s inspanningen om haar meer te doen eten. Was haar maag verschrompeld door ontbering? Akil had er nochtans niet zo ondervoed uit gezien. Had de smeerlap haar uitgehongerd?

Lili taterde honderduit over haar jaren met Gina. Ze praatte zeer snel waardoor hij niet alles begreep en Gina moest vertalen. Sophia was opvallend zwijgzaam. Tot ze zich een vierde glas wijn schonk. ‘Was het hier elke avond zo gezellig?’ vroeg ze.

Gina leunde voorover. ‘Wat zei je nou?’

‘Of het hier elke dag zo’n feest was aan tafel?’

‘Het is Lili haar manier om mijn terugkeer te vieren.’

‘Jullie aten ook wel eens spek met eieren?’

‘Wat bedoel je?’

‘Het is toch een eenvoudige vraag.’

‘Ik had mooie jaren bij Lili. Ik ben haar enorm dankbaar.’

Sophia dronk van haar wijn. Ze spoelde hem langdurig in haar mond, haar ogen duister op Gina gericht. René kende die blik. Er waren steekvlammen op komst.

Sophia slikte de wijn in. ‘Spijtig dat wij geen Lili hadden, geen kamer met ligbad, geen chef-kok die ons elke avond een driegangendiner serveerde bij kaarslicht, geen inloopkasten met een garderobe die zelfs koningin Fabiola zou doen verbleken.’

‘Waarom zo zuur ineens?’

‘Zuur? Beeld je eens één minuutje in hoe het ons de voorbije jaren verging. Ik was tien jaar toen je ons in de steek liet, Gina. Tien!’

‘Het spijt me, Sophia. Ik vind het zo erg.’

René volgde met groeiend onbehagen de conversatie. ‘Dit is echt een fantastisch wijntje. Vinden jullie niet?’

Sophia had er geen oren naar. ‘Zo erg? Is dat alles? We leven van de openbare onderstand. Ik ga bijklussen in een buurtwinkel om wat zakgeld te verdienen voor mij en Claudia. Vrienden of vriendinnen hebben we niet.’

‘Sophia …’

‘Weet je wat we zijn, Gina? Thuis? Krapuul! Uitschot! Broedsel van een dronkenlap die met zijn zatte kloten te pletter viel. Andere kinderen gingen naar de film of logeerden bij vrienden, vertrokken op vakantie naar Zwitserland of gingen op kamp met de KSA. Ik en Claudia zaten thuis, op onze kamer, opgesloten tussen schoolschriften en muffe bibliotheekboeken. In plaats van nieuwe kleren en schoenen droegen we jouw afgedragen spullen. Tot ook die te klein werden en een sociaal werkster ons lompen bracht van ander krapuul, bijeengescharreld door de openbare onderstand.’

Lili tikte met een mes tegen haar glas. ‘Mademoiselles, s’il vous plait.’

René nam de fles wijn en bekeek het etiket. ‘Die wijn is zeven jaar oud. Niet te geloven.’

‘Speelgoed? Wat is dat? Een fiets? Hoeveel wielen heeft die? Een kleurentelevisie? Bestaat dat echt? Ik kan niet begrijpen waarom je niet naar huis kwam, Gina. Echt niet.’

‘Ik was bang om naar een tehuis te moeten, Sophia. Waarom versta je dat niet? Of wil je het niet verstaan? Hoe dan ook, het spijt me.’

Lili keek aangedaan van de ene naar de andere. René wriemelde heen en weer op zijn stoel.

Sophia dronk haar wijn uit, likte haar lippen en zette het glas met een klap neer. ‘Je spijt komt rijkelijk te laat.’

‘Ik kreeg ook mijn deel van de ellende.’

‘Je eigen schuld.’

Gina liep rood aan. ‘Dat is gemeen.’

‘Verblind door een moorddadige smeerlap die ons bijna de dood injoeg. Verblind door ambitie om de nieuwe modekoningin te worden van Frankrijk.’

‘Sophia, hou op,’ kwam René tussenbeide.

‘In de voetsporen van haar grote idool Cristóbal Balenciaga. Gina Ferrara, het nieuwe mode-icoon van Parijs.’

Gina stond op. ‘Ik luister niet langer naar deze dwaasheid.’

Sophia lachte steriel. ‘Of moet ik zeggen: Coco Ferrara? Of Gina de Châtillon?’

Gina richtte zich tot Lili. ‘Het spijt me, Lili.’

Sophia liet zich niet van de wijs brengen. ‘Waar zijn trouwens al je mooie creaties?’

‘Je draagt er een.’

‘Dit? Dit … vod?’ Sophia pulkte aan haar oogverblinde jurk alsof ze een jutezak droeg.’

‘Ik was van plan om je morgen mee te nemen naar Guerre-Lavigne. Dat heeft nu niet veel zin meer.’

‘Ik ga wel mee met jou,’ zei René.

Lili probeerde de conversatie een andere richting op te sturen door op te merken dat de school was omgedoopt tot École Supérieure des Arts et Techniques de la Mode.

Sophia dramde door. ‘Wat doen we hier trouwens, Gina? Ga je wel mee met ons? Naar huis? Of blijf je hier, in dit leuke optrekje bij je stinkend rijke nieuwe moeder?’

‘Als je zo doorgaat, bedenk ik me misschien.’

‘Zal het je lukken, madame de Châtillon, om al deze luxe, al deze pracht en praal achter je te laten en bij ons in te trekken, in ons krot aan het eind van de zieligste steeg van België? Of laat je ons opnieuw stikken?’

Gina verhief haar stem. ‘Sophia, hou op. Als kind was je gemeen, en dat ben je nog steeds.’

Sophia sloeg met de vlakke hand op tafel. ‘En jij bent een lafaard!’

Gina stond op, nam de fles wijn en plaatste ze vlak voor Sophia. ‘Hier. Drink ze helemáál leeg. Kan je eindigen als vader.’

Sophia ging ook staan. ‘René, we gaan naar huis.’

‘Nu?’

‘Ja, nu.’

‘Er rijden nu geen treinen meer naar Brussel.’

‘Dan gaan we liften.’

‘Midden in de nacht? Je bent gek.’

‘Ga je mee of niet?’

‘We gaan gedrieën of we gaan niet.’

‘Blijf dan bij je kalverliefje.’

Dat was het moment waarop er zwarte derwisjen gingen dansen voor Renés ogen. In zijn hoofd kwam een atomaire hersenzweer tot ontwikkeling, een nucleaire paddenstoel die zijn schedeldak er bijna afblies. Allemaal door dit vreselijke gebakkelei. Hij veerde recht. Zijn stoel kletterde achterover. ‘Stoppen verdomme! Stop met Gina af te kraken. Wat mankeert je?’

‘Bemoei je met je eigen zaken!’

Hij sloeg op tafel. ‘Zwijgen! Dit zíjn mijn zaken! Nu ben ik aan het woord. Hou op met die onzin. Laat het verleden rusten. Het is wat het is. Kijk vooruit in plaats van achteruit. Help haar in plaats van haar nog meer in de afgrond te duwen. Zie je dan niet hoe ze eraan toe is? Godverdomme nog aan toe.’

Gina zag grauw, liet zich terugzakken op haar stoel. Op Sophia’s voorhoofd glansde een vliesje alcoholzweet. Ook zij ging terug zitten. Lili keek alsof ze de twaalf apostelen op visite had. Er viel een drukkende stilte.

‘Moet je daarom zo vloeken?’

‘Ja, verdomme!’

Lili’s handen trilden. ‘Mes enfants, het was een lange dag. Laten we naar bed gaan. Een goede nachtrust doet wonderen.’

René dronk het resterende bodempje wijn uit, veegde zijn mond schoon en plaatste de stoel overeind. ‘Mevrouw Liane, bedankt voor deze heerlijke maaltijd. Het spijt me dat het zo moest eindigen. Goede nacht.’

‘Je vroeg vandaag niet eens hoe we het stellen,’ zei Sophia, kalmer nu.

‘Er is zoveel gebeurd vandaag,’ antwoordde Gina met gesmoorde stem.

‘Ik doe al acht jaar het huishouden, al acht jaar zorg ik voor een halfgare moeder en een doodsbange zus. Claudia heeft constant nachtmerries. ’s Nachts slaapwandelt ze, valt van de trap en breekt een arm.’

‘Wat zei je daar?’

‘Claudia heeft nachtmerries.’

‘Dat … dat andere.’

‘Moeder? Een zombie. Valt van de ene depressie in de andere. Ze sloeg alle spiegels kapot, komt al jaren het huis niet uit.’

‘Mama?’

‘Wie anders?’

Gina sloeg de handen voor de mond. ‘Mama?’ Ze trilde over haar hele lichaam, ademde zwaar in en uit, steeds sneller, met een schurend geluid, alsof ze geen adem kreeg. Ze slaakte een kreet en rende de kamer uit.

Sophia keek haar na. ‘Wat krijgen we nu?’

Lili stond op. ‘Qu’est-ce qu’il y a?’

Even was het doodstil.

‘Denkt Gina dat haar mama dood is?’ vroeg René.

Lili schrok hevig. ‘Haar mama leeft?’

Hij rende Gina achterna, de trap omhoog naar haar kamer. Hij klopte aan. ‘Gina?’ Hij hoorde haar onbedaarlijk huilen. Hij klopte nog enkele keren. De deur bleef dicht. Teleurgesteld ging hij naar zijn kamer en liet zich languit op bed vallen. Zo bleef hij liggen, aangekleed, starend naar de rozet op het plafond.

Even later geklikklak van naaldhakken op de gang. Deurgeklop. Sophia: ‘René, doe open.’

‘Hoepel op!’

‘Doe niet onnozel.’

‘Ik doe onnozel?’

‘Je bent weer boos op mij.’

‘Ja.’

Stilte. Daarna: ‘Het spijt me.’

‘Te laat.’

‘René, doe open, alsjeblieft.’

‘Ga je roes uitslapen.’

Ze gaf een klap op de deur en pikkelde weg. Hij kleedde zich uit en kroop onder de lakens.

 

Om zes uur werd hij wakker. Hij vroeg zich af hoe het nu verder moest. Hoe zou Gina zich voelen? Hij kon zich niet voorstellen wat er door haar heen ging. Jarenlang leven met het idee dat haar moeder dood was en nu te horen krijgen dat ze nog leefde. En Sophia? Kon ze zich ooit nog verzoenen met haar zus? Of bleef ze bij haar vreselijke beschuldigingen?

Hij ging voor de spiegel staan en bekeek de buil op zijn voorhoofd. Ze had intussen alle schakeringen van de regenboog. Hij kleedde zich aan en liep in de gang bijna het dienstertje omver. Ze bracht hem naar de keuken waar een buffet wachtte met croissants, stokbrood, kazen en charcuterie.

Hij wachtte op de anderen en dronk intussen een kop koffie. Lili kwam binnen. ‘Goed geslapen?’

‘Ja hoor.’

Ze glimlachte. ‘Begin alvast. Anders is je eetlust over.’

‘Ik wil me nogmaals excuseren voor gisteravond, mevrouw.’

‘Zit er niet over in. Het komt wel goed met die twee. Ze hebben een nare periode achter de rug. Zoiets heeft tijd nodig. Gina had al die jaren zeer veel verdriet om het verlies van haar moeder. Ze zal zich vreselijk schuldig voelen.’

Sophia slofte de keuken binnen, in een zijden pyjama, bleek, groeven in het voorhoofd die haarpijn verrieden. Wat later Gina, in een roze nachtjapon. René voelde een warm soort compassie voor beide vrouwen.

Tijdens het eten zei Gina: ‘Om tien uur vertrek ik naar school. Na de middag neem ik de trein naar Brussel.’

René knikte.

Sophia, de mond vol croissant, bewonderde haar roodgelakte vingernagels.

Terug op zijn kamer legde hij zich op bed en sluimerde in. Hij werd net op tijd wakker. Hij kamde zijn haar en ging naar beneden.

Gina wachtte in de woonkamer. Ze droeg een witte mouwloze bloemetjesjurk. Om haar hals een parelsnoer. Haar gezicht klaarde op. Eindelijk zag hij een glimp van het opbloeiende meisje waar hij zo verliefd op was geweest.

‘Heb je wat kunnen slapen,’ vroeg hij.

‘Vreemd genoeg wel. Vermoeidheid kan een grote deugd zijn. Nog boos?’

‘Ik was niet boos, alleen ontgoocheld in Sophia. Waarom altijd het verleden oprakelen?’

Ze nam zijn hand. ‘Je hebt gelijk. We moeten het verleden laten rusten.’

‘Hopelijk kan Sophia dat ook.’

‘Ik dacht echt dat mama gestorven was. Zoals ze daar lag. Te stuiptrekken. Ik vergeet dat beeld nooit meer. Ik begrijp Sophia wel. Ik had een warm gezin, ik mocht studeren aan de school van mijn dromen. Ik wist niet beter of zij en Claudia zaten in een weeshuis. Ik was zo vreselijk bang om ook in een weeshuis te belanden. Je moet me geloven.’

‘Ik geloof je. Je hoeft me niet te overtuigen.’

‘Dankzij jou leeft mama dus nog.’

‘De hulpdiensten waren zeer snel ter plaatse die avond. Sophia en Claudia mochten naar tante Julia. Toen je mama hersteld was, gingen ze in Menen wonen. Ze hebben nooit een weeshuis gezien.’

‘Daar ben ik blij om. Ik had moeten bellen, of schrijven. Ik ben laf geweest. Ik was bang alles te verliezen als ik terugging.’

‘Je was nog een kind. Stop met het aanwakkeren van schuldgevoelens. Niemand kan je zo erg van iets beschuldigen als jijzelf. Doe het niet.’

Ze knikte.

Hij nam het medaillon uit zijn broekzak en klapte het open.

Haar ogen glinsterden. ‘Je vond het.’

‘Dagenlang vreesde ik dat je in een put lag te verkommeren. Dat je dood zou gaan. Tot ik dit vond. Toen wist ik dat je leefde.’

‘Altijd weer verbaas je me. Kom. Ik wil je van alles laten zien.’

‘Wachten we niet op Sophia?’

‘Die komt niet opdagen, vrees ik.’

Ze verlieten het appartement en stapten in de lift. Toen de liftdeuren zich sloten schoot er een arm tussen. Van Sophia. Ze stapte in, keerde hun de rug toe en drukte op de knop voor het gelijkvloers. Ze droeg een korte chiffon jurk en espadrilles.

‘Waarheen gaat de tocht?’ vroeg René.

‘Montmartre. Een half uurtje stappen.’

De vrouwen liepen langs weerszijden van hem en slaagden er niet in om elkaar aan te kijken of aan te spreken. Hun kille stilzwijgen kon niet verhoeden dat hij het warm kreeg. Het was druk onderweg. Hij gaf hun allebei een arm en blikte omhoog naar de blauwe lucht. Het was een prachtige ochtend.

‘Zie je ze vliegen?’ vroeg Sophia.

‘Hé?’

‘Je loopt de hele weg met een debiele grijns op je gezicht.’

‘Ik dacht zo … loop ik hier arm in arm met de twee mooiste vrouwen van Parijs.’

Ze bekeek de buil op zijn voorhoofd. ‘En wij met de klokkenluider van de Notre-Dame.’

Gina proestte het uit. Sophia volgde en even later sleurden ze hem bijna tegen de grond van het lachen.

‘Stelletje serpenten. Jullie horen thuis in een slangenkuil,’ grinnikte hij, waarop ze nog harder lachten.

Honderd meter verder bleef Gina staan voor een massieve dubbele deur van een gebouw met zes verdiepingen.

‘Een hotel?’ vroeg Sophia.

‘Inderdaad. Vroeger. Het dateert van voor de Franse Revolutie.’

Ze gingen naar binnen en volgden Gina via een halfronde trap naar de eerste verdieping. Ze liepen door salons en zalen die beelden opriepen van feestelijke banketten en barokke dansfestijnen uit vervlogen tijden. René zou niet eens vreemd hebben opgekeken als hij er Barry Lyndon en zijn mooie Lady Honoria tegen het lijf was gelopen. Gina vertelde over de rijke geschiedenis van het gebouw en de beroemdheden die er ooit hadden verbleven, zoals de componist Gioachino Rossini, wiens Stelende ekster René kende van A Clockwork Orange. Ooit moesten de parketvloeren, wandbekledingen, Korinthische zuilen en sierlijsten met wapenschilden grandioos zijn geweest. De fineren deuren, gebarsten vensterramen, flikkerende tl-lampen, het beschadigde pleisterwerk, het desolate binnenplaatsje met plassen water, vertelden evenwel een ander verhaal, een verhaal van vervlogen glorie en teloorgegane rijkdom. Gina’s enthousiasme scheen als een goddelijk licht over al deze vergane grandeur. Hij hoorde haar woorden, maar meer nog zag hij de schittering in haar ogen en de blijdschap om haar droom en haar tienerjaren te delen met hem en haar zus.

Via een wenteltrap stapten ze naar de bovenste verdiepingen met de ateliers. Achter elke deur en elke hoek verrezen naaimachines, bustes en paspoppen met creaties gaande van ruw ontwerp tot afgewerkt kledingstuk. Gina vertelde over de stichter van de school, Alexis Lavigne, de uitvinder van de paspop en de lintmeter, ooit de kleermaker van keizerin Eugenie, de laatste keizerin van Frankrijk. Daarna verontschuldigde ze zich. Ze liep kantoren en klassen in en uit om vaarwel te zeggen aan vrienden en leraren van vroeger. René hoorde aan de uitbundige uitroepen dat ze een graag geziene studente was geweest. Hij vond het hartverwarmend hoe ze van rebelse puber was uitgegroeid tot een voorname dame die door hard werken en doorzetten haar modetalenten had ontwikkeld. Zelf had hij nog niets ontwikkeld, behalve het talent om te falen.

‘Het spijt me van gisteravond,’ zei Sophia, terwijl ze zaten te wachten.

‘Weet je nog wat je allemaal hebt uitgekraamd?’

‘Half en half.’

‘Je was weer eens goed op dreef.’

‘Ik meende niet wat ik zei.’

‘Wat je niet meent moet je niet zeggen.’

‘Het is soms sterker dan mezelf.’

‘Vooral als er alcohol mee gemoeid is.’

‘Ik weet het. Ik drink nooit meer.’

‘Zwijg erover. Jullie hebben elkaar eindelijk terug. Maak er iets moois van.’

‘Ze vergeeft het me nooit.’

‘Ze kan meer hebben dan je denkt.’

Ze knikte flauw.

Gina kwam terug met drie aktetassen en een resem tekenmappen met leren handvaten. ‘Helpen jullie mij dragen?’

Ze verdeelden alles onder elkaar. ‘Wat steekt daarin?’ vroeg Sophia.

‘Tekeningen, naaipatronen, werkbeschrijvingen, staaltjes.’

‘Ben je zinnens om thuis als naaister te gaan werken?’

‘Zoiets.’

‘We hebben niet eens een naaimachine.’

‘We zien wel.’

 

OceanofPDF.com