De Parisienne
Parijs, 11 september 1975
Lieve Sophia, Lieve Claudia
Het spijt me dat ik nooit iets van mij heb laten horen. Ik had al veel eerder moeten schrijven maar ik durfde niet. Ik vreesde om in een tehuis te belanden. Nu niet meer.
Ik woon in Parijs. Ik werd opgenomen in het gezin van een zeer lieve welgestelde dame. Ze zegt dat ik voor haar een tweede dochter ben. Ze gaf me zelfs haar naam. Ik volgde naailessen en ben afgestudeerd als modeontwerpster. Styliste modéliste heet dat hier. Ik ben zo gelukkig.
Ik kom naar huis. Eerst ga ik kort op vakantie met mijn vriend naar San Sebastian, naar de geboortestreek van een beroemde modeontwerper. Daarna kom ik terug. Ik ben zo gelukkig! Ik kijk er vurig naar uit om jullie terug te zien.
Vele vele kusjes. Tot zeer binnenkort.
x x x x x
Gina
OceanofPDF.com
Zijn hoofd gloeide van opwinding. Hij leunde achterover. ‘Ik wist het.’
‘Wat wist je?’
‘Dat ze in Parijs zit.’ Hij vertelde over het medaillon met haar foto. ‘Weet je mama van deze brief?’
‘Nee.’
‘Claudia?’
‘Ook niet.’
‘We gingen langs bij tante Julia. Ze zei er niets over.’
‘Ze weet nergens van. Ze gaf hem me ongeopend.’
‘1975. Gericht aan jou en Claudia. Waarom niet aan je mama?’
‘Geen idee.’
‘“Ik kom naar huis. Tot zeer binnenkort.” En dan?’
‘Niets meer.’
‘Twee jaar geleden zou ze naar huis komen en vervolgens liet ze niets meer van zich horen?’
Ze knikte.
Ik vrees dat ze in nesten zit.
‘Vind je dat niet zorgwekkend?’
‘Misschien bedacht ze zich.’
‘Verwittigde je de politie?’
‘Nee.’
‘Waarom niet?’
‘Om mama en Claudia geen valse hoop te geven. Trouwens, wat zouden ze ermee zijn geweest?’
Hij schudde het hoofd. ‘Er moet iets zijn tussengekomen. Maar wat?’ Hij nam opnieuw de brief ter hand. Zijn ene voet tikte verwoed op en neer alsof hij de maat sloeg op een onhoorbaar lied. ‘Modeontwerpster. Styliste modéliste. Haar droom.’
‘Had ze een droom?’
‘Lang geleden vertelde ze dat ze graag jurken wilde leren naaien.’
‘Dat wist ik niet.’
‘San Sebastian. De geboortestreek van een modeontwerper. Enig idee wie?’
‘Nee.’
‘Waarom zocht je het niet op?’
Ze stak haar armen wijd open. ‘Zal ik een defileetje doen over de catwalk?’
‘Doe niet onnozel.’
‘Ik ben Coco Chanel niet. Ik ken niets van mode. We droegen meer tweedehands kledij dan wat anders. Mode interesseert me niet.’
‘Ik vind nog altijd dat we naar Parijs moeten. We gaan naar de burgerlijke stand en vragen haar adres.’
Ze tikte op de brief. ‘Je hebt niet goed gelezen.’
Hij herlas. ‘Je hebt gelijk. Ze draagt een andere naam. Van die welgestelde dame. Dan heeft Parijs inderdaad niet veel zin. Dus we gaan naar San Sebastian?’
Ze knikte.
‘Waarom vertelde je dit niet eerder?’
‘Ik wilde je dumpen.’
‘Wat lief. Je hebt je bedacht?’
‘Ja, na dat voorval met die smeerlap.’
‘Zijn er nog dingen die ik moet weten?’
‘Nee.’
Hij gaf de brief terug. Ze stopte hem in haar achterzak en liep zonder nog om te zien naar de slaapruimte.
De volgende morgen bij het ontbijt was ze weer helemaal haar arrogante zelve: koel, berekend, hautain, het complete arsenaal aan licht ontvlambare nukkigheden op scherp. Hij ging verder op het romantische elan van de avond ervoor. ‘Goed geslapen?’
‘Mijn hoofd doet pijn.’
‘Hier, drink een glas water.’
‘Nooit drink ik nog alcohol. En zeker niet van jouw bocht.’
‘Wat is ons doel voor vandaag?’
‘Mij eender. Je weet toch alles beter.’
Hij keek in de gids. ‘Vichy heeft een jeugdherberg.’
‘Ik heb allang spijt dat ik meeging met jou.’
‘Ik heb je niet uitgenodigd.’
‘Alleen was ik al veel verder geweest.’
‘Alleen lag je nu in een gracht, gewurgd en verkracht.’
‘Denk niet dat ik je daarvoor eeuwig dankbaar blijf. Als je niet was langsgekomen met dat krankzinnige idee om Gina te gaan zoeken, was dit allemaal niet gebeurd.’
‘Moeten we haar aan haar lot overlaten? Is dat wat je wil?’
‘Dat zeg ik toch niet.’
‘Wat als ze ook zo’n smeerlap tegen het lijf liep.’
‘Ze moest maar niet zijn weggelopen.’
‘Wat een gezeur. Het was toch leuk gisteravond, aan de oever van dat riviertje?’
‘Nadat je me eerst dronken had gevoerd.’
‘O?’
‘Jullie hebben altijd bijbedoelingen.’
‘Ondankbaar schepsel. Maak je klaar. We vertrekken.’
Voorbij Auxerre begon het te miezeren. Ze trokken allebei een regenjack aan. Ze had genoeg van het liften en wachtte ineengedoken af, terwijl hij al het water opving van voorbijrijders. Niemand stopte. Ze trokken te voet verder. Tegen elven klaarde het op, waarna het liften een stuk vlotter verliep. In de vroege namiddag waren ze voorbij Nevers.
In een godvergeten gehucht een eindje van de hoofdweg kocht hij twee stokbroden, kaas, sinaasappelen, dadels en noten. Ze aten op een pleintje onder een Japanse kerselaar. Hij dronk de veel te warme wijn, zij dronk water uit een fontein. Ze hadden de hele rit geen woord gewisseld.
Hij ramde het resterende stokbrood in zijn rugzak en vloekte. ‘Tweehonderd landen, tweehonderd volken, maar slechts één volk dat broden bakt van een meter lang.’
Ze keek geamuseerd toe.
‘En wat eet dat volk bij dat misvormde brood? Kaas die stinkt naar stront!’
‘Zal ík het opbergen?’
‘Blijf eraf.’
‘Wat heb je ineens?’
‘Moet jij vragen. Je zegt alweer de hele dag geen woord. Ik koop eten en drinken voor jou, maar een bedankje? Hoho.’
Ze gordde haar rugzak om. ‘Hoe kom je aan al dat geld?’
‘Heb je niets mee te maken.’
‘Druk je het zelf?’
‘Je brengt me op ideeën.’
‘Ik betaal alles terug.’
‘Waarmee? Wijnkurken?’
‘Met geld dat ik verdien.’
Hij zwaaide zijn rugzak om. ‘Hoeveel heb je?’
‘Honderd Franse frank.’
‘Dacht je daarmee tot in Spanje te geraken?’
‘Het lukt wel als ik zuinig ben.’
‘Je kan altijd een boulevard doen.’
‘Dat is smerig.’
‘Met dat korte broekje van gisteren.’
‘Hou op.’
‘En een visnetje in plaats van die topjes.’
‘Hou je mond of ik ga schoppen.’
‘Oké, oké.’
Ze liepen terug naar de hoofdweg. Er was nog een lifter, een jongeman. Ze gingen een eindje verderop staan. Ze stak haar duim in de lucht. ‘Loop je nou constant met smerige gedachten in je kop?’
‘A dirty mind is a joy forever.’
‘Als je intelligent wil doen, citeer de grote dichter dan correct.’
‘Dichterlijke vrijheid, schat.’
Een Simca hield halt bij de jongeman. Hij stapte in. De bestuurder reed stapvoets verder en stopte om ook hen op te pikken. Het was een erg joviale kerel die alles wilde weten van de jongeman naast hem. De jongen maakte echter onduidelijke hoofdbewegingen en zei geen woord. Hij keek vertwijfeld achterom naar Sophia. ‘English?’
‘Flemisch.’
Hij gaf hun een hand. ‘Dave. Ik begrijp geen woord Frans.’
‘Dat hadden we al door,’ zei Sophia.
Dave vertelde dat hij uit Rhodesië kwam en Lyon als doel had, maar hij besloot om mee te liften met hen naar Vichy. Hij had tijd, zei hij.
De bestuurder keek beteuterd van de een naar de ander, ontgoocheld omdat hij geen woord begreep van hun conversatie. Dave was alleraardigst en Sophia haalde haar beste Engels boven. Bij het uitstappen aan de rand van Vichy hing ze helemaal aan zijn lippen. ‘Wat doet een Rhodesische jongen in Frankrijk?’
‘Ik ben mijn land ontvlucht naar Engeland. Ik stak het Kanaal over en trek naar het eiland Ios in Griekenland.’
‘Waarom ben je gevlucht?’
‘De oorlog in Rhodesië wordt met de dag grimmiger. Veel blanken verlaten het land. Ik moest naar het leger maar ik wil niet schieten op mensen.’
Sophia werd er stil van. René vroeg wat hij op Ios van plan was.
‘Genieten van het leven, slapen op het strand, gitaar spelen, wijn drinken, snorkelen. Een graantje meepikken van het toerisme. Een eigen eethuisje openen.’
‘Keer je dan nooit meer terug naar je land?’
‘Rhodesië is niet mijn land. Het is ook niet het land van de blanken. Nooit geweest.’
‘Ik moet je bewonderen,’ zei Sophia, en dat klonk voor een keer zeer gemeend.
Na het avondeten stelde Dave voor om het stadje te verkennen. Al gauw bleek ‘het stadje verkennen’ een eufemisme voor ‘zich bezatten’. Sophia, die zich de avond allicht romantischer had voorgesteld, liet hen na twee biertjes alleen en keerde terug naar de jeugdherberg. Dave wilde weten of Sophia Renés meisje was. ‘What a nightmare,’ zei hij toen René vertelde over zijn wedervaren met haar. Ze lachten en dronken nog enkele biertjes. Net voor de jeugdherberg de deuren zou sluiten waren ze terug. René zocht een kwartier lang naar zijn bed. Na een onprettige nacht tijdens dewelke hij driemaal moest opstaan om te plassen, rolde hij om negen uur kreunend uit bed. Het reftertje was op Dave na leeg. Sophia was nergens te bespeuren. Dave gniffelde. ‘She’s gone, man.’
René schoot in alarmmodus en vroeg wanneer ze was vertrokken.
‘Een half uur geleden.’
OceanofPDF.com