De Parisienne

André Van Butsel · Chapitre 38 sur 40

Pages du PDF

De Parisienne

Chapitre 27

Now we are mature.

And those were the days of roses

Tom Waits – Martha

 

Hij parkeerde net buiten het centrum van Kortrijk voor een ietwat verwaarloosd pand met een enorme gevelvitrine, in het midden een schuin toelopend portiek. Erboven zat een bleke vlek waar ooit een uithangbord hing. Aan de binnenkant van de ramen hingen vergeelde kranten. Ze haalde een bos sleutels uit haar handtas en opende de voordeur. Het rook er muf. Ze deed het licht aan. De tl-lampen zoemden als een zwerm reuzenbijen. De vloer was op meerdere plaatsen gebarsten en het valse plafond miste tegels.

‘Dit was vroeger een meubelwinkel,’ zei ze.

Ze kuierden doorheen het pand. Het was een huizenblok diep. Achteraan was een opslagruimte en een garage die uitgaf op een smalle steeg.

‘Wat is de bedoeling?’

‘Dit wordt een modeboetiek.’

‘Er is flink wat werk aan.’

‘Ik heb geld. Ik kan ook nog bij lenen.’

‘Heb je ook een naam?’

‘Ja. Modepaleis Gina Ferrara.’

‘Klinkt als een klok. Je moet ongelooflijk blij zijn.’

‘Ben ik ook. Ik huur het voor minstens negen jaar en mag eraan veranderen wat ik wil. De eigenares is een oud kinderloos dametje. Ze wilde alles over me weten. Ze was erg ontroerd.’

‘Hoe pak je het aan?’

‘Ik contacteerde al een paar aannemers. Ik wil ook zelf de handen uit de mouwen steken. Kan je me helpen? Jij kent toch iets van elektriciteit?’

‘Ik vind het een eer.’

‘De eerste verdieping beschikt over woonruimte voor het hele gezin. Er is plaats voor een keuken, sanitaire voorzieningen, acht slaapkamers, een berging, enzovoort. De kamers op de tweede verdieping wil ik verhuren aan studenten. Zodra de werken voorbij zijn, verhuizen we.’

‘Ik ben onder de indruk van je plannen. Ik ben zo fier op je.’

‘En ik ben je eeuwig dankbaar.’

‘Waarover wilde je mijn advies?’

‘Ik heb een wagen nodig. Had jij geen oom in de autohandel?’

‘Oom Gerard.’

‘Bracht hij niet die magazines mee uit Amerika, met die poster van Woodstock?’

‘Juist. Wauw. Woodstock. Dat was nog eens een droom.’

Ze kneep in zijn hand. ‘Breng me erheen.’

‘Naar Woodstock?’

Ze lachte. ‘Je bent nog niets veranderd.’

 

Oom Gerard was aangenaam verrast om René te zien en nog aangenamer bij het zien van de mooie vrouw in zijn gezelschap. Hij wiebelde met zijn wijsvinger heen en weer. ‘Zijn jullie …?’

‘Nee, gewoon vrienden. We komen een wagen kopen.’

‘Je bent aan het juiste adres.’

Oom Gerard nam hen mee naar de toonzaal en deed zijn best om Gina eerst een Fiesta en daarna een Escort aan te smeren, maar ze hapte niet.

‘Heb je niets sportiever?’ vroeg ze.

Met de handen in zijn zij bekeek hij haar. ‘Ik heb wel iets voor een ervaren bestuurder. Hoelang rij je al?’

‘Drie jaar. Onderschat me niet.’

Oom Gerard liep van de toonzaal naar de garage waar in een hoek een wagen stond onder een dekzeil. Hij trok het zeil weg. Een zwarte Ford Capri GT kwam tevoorschijn. Een van de banden was lek. Het spatbord vooraan vertoonde schrammen. ‘Bijna geen kilometers,’ zei hij, ‘trekt in minder dan tien seconden op van nul tot honderd per uur.’ Hij opende de motorkap die speciaal was gebombeerd om de zware turbomotor te huisvesten.

Gina liep er omheen. ‘Wat denk je, René?’

‘Het is wel een beest hoor.’

‘Wat vraag je ervoor?’

‘Ik maak voor jou een speciale familieprijs.’

‘Wanneer kan je hem klaar hebben?’

‘Over een week.’

Ze volgden oom Gerard naar zijn kantoor. Na enig onderhandelen maakte hij de papieren op. Gina wilde een voorschot betalen maar dat hoefde niet.

‘Nu gaan we iets eten,’ zei ze.

Hij reed terug naar Kortrijk. Ze aten een kleinigheid op de Grote Markt en haalden herinneringen op aan hun zomer van 69. Hij was opgetogen dat de afstand tussen hen alweer een beetje kleiner werd. Hij wilde dat er helemaal geen afstand meer was. Hoewel ze duidelijk een plan had, wist hij niet of hij er deel zou van uitmaken. Ze bleef de hele tijd koel en zakelijk.

 

Een week later werd er aangebeld. Hij was net begonnen aan de vaat. Hij droogde zijn handen en opende de voordeur. ‘Gina! Wat een verrassing!’

Ze kuste hem op de wang. ‘Ik was bij de Rijkswacht in Oudenaarde en dacht: ik rij maar eens door. Kom mee naar buiten.’

Daar stond de Capri, zwart, glimmend en onheilspellend als de batmobiel van Batman en Robin. ‘Zin in een ritje?’

Hij liet de vaat aan de kabouters en kleedde zich om.

Tijdens het rijden droeg ze zwartleren autohandschoenen. Op een recht stuk liet ze het beest onder de motorkap los. Hij kreeg kriebels in zijn maag. Daarna cruiseden ze met open ramen kriskras door de heuvels en langs de oevers van de Schelde. Op de Markt in Oudenaarde dronken ze cola. Daarna keerden ze terug, niet zonder eerst langs de gespleten eik te rijden waar ze zovele uren hadden vertoefd. Ze stopte. Hij stapte uit en liep er naartoe.

Ze volgde. ‘Hij is nog niets veranderd.’

Hij klom in de boom, gaf haar een hand en hees haar naast zich. Op slag verschrompelden de voorbije acht jaar in het niets. Overmand door herinneringen keken ze zwijgend voor zich uit. Daarna bracht ze hem naar huis. Ze parkeerde op het erf, stapte uit en keek naar de overkant. Er stonden enkele wagens op de parking en de deur stond open.

‘Wil je erheen?’ vroeg hij.

‘Nee, toch niet.’

‘Kom binnen.’

‘Ik wil jullie niet langer storen.’

‘Ik ben alleen thuis.’

‘Waar is je moeder?’

‘Naar Lourdes.’

‘Je meent het. Heeft ze zich bekeerd?’

‘Hopelijk niet.’

Ze namen plaats in de keuken.

‘Akil is uitgeleverd aan Spanje,’ zei ze.

‘Mooi. Die zien we niet meer terug.’

‘Het loerend oog van God is weg.’ Ze knikte naar een lichte vlek in het bloemetjesbehang waar vroeger het kadertje hing met de spreuk God ziet mij, hier vloekt men niet.

‘Het haakje liet op een morgen los en het kadertje viel op de grond in scherven. Moeder heeft het weggegooid. “Iedereen vloekt er toch maar op los”, zei ze.’

‘Zal ik helpen met de afwas?’

‘Graag.’

Hij begon met afwassen. Zij droogde af. Telkens als hij een bord of een kopje op de gootsteen wilde plaatsen, raakte ze zijn hand aan en glimlachte.

‘Is het niet te warm voor je hand?’

Hij bekeek de rode vlek. ‘Het is bijna genezen.’

Ze raakte zijn arm aan. ‘Anders was ik wel af.’

‘Nee hoor, hoeft niet.’

‘En je been?’

‘Het trekt nog een beetje maar het geneest goed.’

Na de afwas nam ze het fotootje van Michiel, zijn verongelukte broer, zoals ze ooit eerder deed, op dezelfde plaats. Het was een vreemde gewaarwording, alsof het pas gisteren was. Ze plaatste het terug.

Hij schikte de stoelen rond de tafel. ‘Ik ben alleen thuis.’

‘Dat zei je al.’

Hij leunde tegen het aanrecht. ‘Rook je nog?’

Ze ging voor hem staan. ‘Nee, het mocht niet van Lili. Slecht voor textiel. En gevaarlijk.’

‘Wil je de lammetjes zien?’

‘Nee.’ Ze kwam nog dichter. Hij legde zijn handen op haar heupen en drukte haar teder tegen zich aan. Hij beroerde haar lippen. Ze waren zacht, warm en vochtig als dauwdruppels op een daglelie. Ze glimlachte.

‘Wil je gaan liggen?’

Een licht schouderophalen.

Hij gaf haar nog een kus. Intenser deze keer. ‘Kom mee.’ Hij nam haar hand en leidde haar naar zijn kamer. De rolluiken waren half naar beneden. Het was er aangenaam koel. Ze vlijden zich naast elkaar op het bed en kusten. Hij frutselde de knoopjes van haar bloes open. Zijn hand gleed via de naakte huid van haar taille over haar rug tot aan haar nek.

Ze rilde, drukte zich tegen hem aan en kuste het lelletje van zijn oor.

Hij aarzelde. Er klopte iets niet. Er was geen vuur. Geen passie. Geen afwijzing. Niets. Alleen dat zachte gesabbel aan zijn oor.

Hij trok zich achteruit en schrok van haar slaafse blik. Ze was niet eens aanwezig. Ze zag lijkbleek, maar gloeide als houtskool. Druppeltjes zweet glinsterden op haar voorhoofd alsof ze een koortsaanval kreeg. Ze sloeg haar ogen neer.

‘Wat is er?’

Ze schudde haar hoofd.

Hij trok zijn hand vanonder haar bloes en drukte haar hoofd tegen zijn schouder. ‘Spanje?’

Ze knikte. Snikte. Eerst stilletjes. Dan heviger.

Zo bleven ze een hele tijd liggen. ‘Wil je erover praten?’

‘Nee.’

‘Praten helpt.’

‘Niet bij mij. De pijn komt alleen maar terug. Ik wil geen pijn meer.’ Ze begon opnieuw te schokken.

‘Niemand doet je nog pijn.’ Hij streelde haar rug en wachtte tot ze tot rust kwam. Na een eeuwigheid maakte ze zich los uit zijn omhelzing. ‘Het spijt me. Ik wil vergeten … maar het lukt niet.’

‘Wonden helen kost tijd.’

‘Sommige helen nooit.’ Ze stond op van het bed, broos, bleek, fragiel, haren in de war. Hij ging voor haar staan en friemelde aan de knoopjes van haar bloes om ze door de gaatjes te wurmen, maar het was tegen zijn hand en het lukte niet.

‘Ik doe het wel.’ Ze bekeek zichzelf in de spiegel van de kleerkast. Ze droogde haar tranen en schikte haar haren. Ze gingen terug naar de keuken.

‘Zal ik koffie maken?’ vroeg hij.

‘Ik heb tijd nodig, René.’

‘Geen tijd voor koffie?’

Ze glimlachte, kreeg terug wat kleur.

‘Is alles nog goed?’

Ze knikte.

Hij was opgelucht.

‘Dan ga ik maar.’

‘Voorzichtig met dat zwarte beest.’

Ze wreef over zijn wang en ging naar buiten. Hij luisterde naar het gegrom van de Capri tot het wegstierf.

 

OceanofPDF.com