De Parisienne
Chapitre 14
Elle court, elle court
La maladie d’amour
Michel Sardou– La maladie d’amour
Een eind verderop, gehuld in een sissende wolk stoom, lag het wagentje op zijn zij in een ondiepe sloot. Het achterportier vloog open en Sophia klauterde eruit, trappend en slaand naar de bestuurder onder haar. Ze sprong op de baan en rende René tegemoet. De bestuurder klom ook uit het wagentje en zat haar armen wiekend achterna. ‘Bordel de merde. Putain. Reste ici!’
De man liep sneller dan Sophia. Een paar tellen later gooide hij haar tegen de grond, draaide haar om en sloeg naar haar gezicht. Ze verweerde zich heftig en schopte hem met de voeten van zich af. Ze krabbelde recht en wilde opnieuw gaan lopen, maar de man greep haar bij een enkel. Ze smakte opnieuw neer.
Buiten adem bereikte René het worstelende tweetal. Hij sloeg zijn arm langs achteren rond de man zijn nek en trok hem weg van Sophia. Hij struikelde en viel achterover, de man boven op hem. Alle lucht pufte uit zijn longen. De man was zwaar en spartelde om los te komen. Sophia, terug op de been, trapte hem snoeihard tussen de benen. De man kreunde en bedekte met beide handen zijn kruis. René kroop onder hem uit. Sophia ging door met trappen tot René haar vastgreep en zei dat het wel genoeg was.
‘Vuile rotzak!’
De man probeerde zich te rechten. Sophia stampte hem droog in het gelaat. Hij viel achterover en bleef liggen. Bloed stroomde uit zijn neus.
René sleepte haar mee naar het wagentje. Ze wrikten hun spullen uit de koffer en zetten het op een lopen. Bij het volgende kruispunt sloegen ze rechtsaf en verscholen zich in een bosje, uit het zicht van de hoofdweg.
‘Ik kan niet meer,’ zei ze buiten adem. Ze strompelde naar een beekje, viel op haar knieën en gaf over, bevend over haar hele lichaam. Daarna viel ze uitgeput in het gras. Hij gaf haar een fles water. Hij bekeek de schaafwonden op haar knieën. ‘Dat moet ontsmet worden.’
‘Ik wil eerst uit de buurt zijn van dat zwijn.’
‘Blijf rustig, we zien hem niet meer terug. Je hebt zijn ballen vermorzeld.’
Ze lachte en huilde tegelijk.
Ze wachtten een uur en keerden terug naar de hoofdweg. Korte tijd later stopte een jonge vrouw. Ze nam hen mee tot aan het laatste dorpje net voor Auxerre waar ze de parking op reed van een warenhuis. Ze bedankten haar en namen plaats op een betonnen boordsteen naast de ingang. Hij ontsmette haar schaafplekken. Daarna gingen ze naar binnen. Hij kocht brood, kaas, boter, fruit, wijn, water en een fles Bénédictine.
‘Ben je soms eigenaar van de winkel,’ vroeg ze aan de kassa.
‘Ik heb geld.’
Hij rekende af. Terug op de parking bekeek ze haar knieën. ‘Wat een varken.’
‘Hoe kwam je in die sloot terecht?’
‘Ik draaide aan zijn stuur om hem te doen stoppen. Toen dat niet lukte gaf ik hem een klap tegen zijn oor. Het volgende ogenblik viel de wereld op zijn kant.’
‘Je hebt hem niet alleen ontmand maar ook nog doof geslagen.’
‘Zijn verdiende loon.’
‘We moeten oppassen in het vervolg. Bij twijfel stappen we niet meer in.’
‘Dan raken we nergens. We lopen nu al hopeloos achter op het schema.’
‘Is er een schema?’
Ze tikte tegen haar voorhoofd. ‘Het zit allemaal hier.’
‘Misschien moet je wat minder Jane Birkin imiteren als je gaat liften.’
‘Straks is het nog mijn fout.’
‘Sorry.’
‘We vertrekken.’ Ze stond op en schoot door haar voet.
‘Wat is er?’
‘Mijn enkel gekneusd op die klootzak zijn kop.’
Ze werden opgepikt door een dandy die eruitzag als een Siciliaanse pooier, behangen met gouden ringen, armbanden, halskettingen en een polshorloge dat wellicht duurder was dan zijn donkerblauwe Citroën DS. Hij vroeg hen mee naar een party. Ze bedankten. Ontstemd deponeerde hij hen voor de ingang van een jeugdherberg in een verpauperde buurt.
Na zich te hebben ingeschreven, namen ze plaats aan een houten picknicktafel in een gezellig binnentuintje. Sophia leek met haar gedachten mijlenver weg. Hij gaf haar een stuk brood met boter, een spie kaas en een glas wijn. Ze at zwijgend en keek emotieloos in zijn ogen. Hij werd er ongemakkelijk van. ‘Wat is er?’
‘Ik zie altijd weer die vuilak voor me.’
‘Het is goed afgelopen.’
‘Wat zou er gebeurd zijn als je ons niet had ingehaald?’
‘Daar moet je niet aan denken. Drink je wijn.’
‘Ik drink nooit alcohol.’
‘Doe nu maar, het zal helpen.’
Na het eten, ze had intussen twee glazen uit, maakten ze een wandeling naar het oude stadsgedeelte en kuierden langs de Yonne, de rivier dwars door Auxerre. Hij genoot van het uitzicht op de kathedraal en de kerktorens. Ze leek het voorval met de snoodaard even te vergeten en liep dromerig aan zijn arm. Als ze zijn lief was geweest, hij zou het romantisch hebben gevonden. Nu eigenlijk ook. Ook al was ze niet zijn lief.
‘Leuk wat je zei over Jane Birkin,’ zei ze.
Hij voelde een blos opkomen.
‘Lijk ik op haar?’
‘Nogal, zoals nu.’
‘Zingen kan ik evenwel niet.’
‘Zij ook niet, maar hijgen kan ze als de beste.’
Ze lachte. Wat was ze mooi als ze lachte. Hij keek de andere kant op en dacht aan Bianca, thuis in haar appartement. Hij vond het vreemd om met een ander meisje aan zijn arm te lopen. Was Bianca bang geweest dat hij zou vallen voor Sophia? Had ze daarom gevraagd om braaf te zijn? Natuurlijk zou hij braaf zijn. Dat ze eraan durfde te twijfelen. Bij valavond keerden ze terug naar de jeugdherberg.
‘Sophia, we moeten dringend praten. Ga zitten.’
‘Een ogenblik.’ Ze ging naar de slaapplaats en kwam terug met een omslag.
‘Wat is dit?’
‘Een brief van Gina.’
‘Mag ik hem lezen?’
Ze gaf een kort knikje.
Verwonderd bekeek hij het adres op de omslag. Ganzestraat 17. De poststempel was onleesbaar. Geen afzendadres. Hij nam de brief eruit. Van bij de eerste woorden kreeg hij het warm.
OceanofPDF.com