De Parisienne

André Van Butsel · Chapitre 5 sur 40

Pages du PDF

De Parisienne

Chapitre 3

Don’t let the sun go down on me

Although I search myself, it’s always someone else I see

Elton John – Don’t Let the Sun Go Down on Me

 

‘Wie is Gina?’ riep Klaas.

René ontwaakte uit een naargeestige droom waarin Gina en de blonde vrouw koude sperzieboontjes waren komen eten bij moeder thuis. Ze hadden goed kunnen opschieten met elkaar, maar hadden hem geen blik gegund. Hij voelde zich ellendig. Een sliert kwijl droop uit een mondhoek op zijn hoofdkussen. Hij knipperde met de ogen en keek naar de wekker. Bravo. Te laat voor het practicum scheikunde.

‘Joehoe. Hier Washington. Is de lijn met Moskou hersteld?’

‘Wie ben jij?’ vroeg René.

‘Gossiemikkie. Lulletje rozenwater is zijn verstand kwijt.’

‘Wat zit je zo te roepen?’

‘Roepen? Ik wek je tot leven. Je zag er nogal dood uit, eerlijk gezegd.’

René opende het raam en leunde naar buiten voor wat verse lucht. Flarden herinneringen aan de vorige avond schemerden als een waterzonnetje doorheen de mist in zijn hoofd. Klaas, Calvados, Beethoven … De blonde dame in de Heremiet. Het bier en de Calvados in zijn maag sloegen aan het feesten. Hij werd onpasselijk. Zijn mond liep vol speeksel. Hoe meer hij slikte, hoe meer het feestje de omvang kreeg van een bruisend festival. Een bijtend mengsel van alcohol en maagzuur stuwde in spastische golven doorheen zijn slokdarm, verschroeide zijn keelgat en gutste in uitwaaierende flarden tegen het keukenraam van de kotbaas drie verdiepingen lager. Hij keek om, met tranende ogen vol afgrijzen. ‘Zijn hier geen pilletjes voor?’

‘Nee, jongen, d’r zijn geen pilletjes voor.’

Hij sloot het raam.

‘Je antwoordt niet op mijn vraag.’

‘Welke vraag?’

‘Wie-is-Gina?’

René veegde zijn mond af met een zakdoek. ‘Waar heb je het over?’

‘Wat een hapsnurker. Je zei de hele nacht haar naam.’

‘Een vriendin.’

‘Haha, nog meer geheimen. Femelaar.’

‘Hou op met roepen, wil je. Mijn hoofd barst.’

‘Hangt de heilige Renatus uit, maar kent intussen meer wijven dan Caligula.’

‘Gina was mijn jeugdvriendin.’

‘Haha. Ook zo’n moordgriet als die blonde van gisteravond?’

‘Nog mooier dan Gina Lollobrigida. Ze kon Marilyn Monroe imiteren.’

‘Verdomme. Ik wil haar ontmoeten.’

‘Zal niet lukken. Ze is spoorloos.’

‘Je moet haar flink de stuipen op het lijf hebben gejaagd.’

‘Zo was het niet.’

René vertelde over het gezinsdrama dat zich acht jaar eerder had afgespeeld, waarbij Gina’s moeder vreselijk werd toegetakeld door haar vader, waarop haar vader te pletter was gestort van een brouwtoren en Gina zelf was verdwenen.

‘Wow. Heavy.’

‘De Rijkswacht heeft haar maandenlang gezocht. Ze werd nooit gevonden.’

‘Waren er nog kinderen?’

‘Ja, twee. Die waren ongedeerd. Ze werden opgevangen door een tante in Roeselare.’

‘Waarom ging je haar zelf niet zoeken?’

‘Ik was twaalf!’

‘Nu toch niet meer.’

De woorden verrasten hem. Hij was inderdaad geen kind meer. ‘En mijn studies dan?’

‘Dat wordt niets, man. Nog nagedacht over dat blondje van gisteren?’

‘Ja, maar ze blijft een raadsel. Ik wil koffie.’

‘Denk niet dat je er zo makkelijk vanaf komt.’

Ze liepen de trap af naar het keukentje. René bracht water aan de kook en maakte twee kopjes instantkoffie. Theo, de kotbaas, stak de deur open. ‘Wat heeft die kots tegen mijn raam te betekenen?’

‘Ach meneer,’ zei Klaas, ‘René heeft een voedselvergiftiging.’

‘Het ruikt anders verdacht veel naar alcohol.’

‘Hij is ernstig ziek. Ik ruim het dadelijk op.’

Theo vertrok.

‘Wat een zeurknol.’

Georges kwam binnen. ‘Hi. Geen les vandaag?’

‘Toch wel, ik heb me overslapen,’ antwoordde René.

‘In de Calvados gehangen?’

‘Dat ook. Klaas, dit is Georges. Hij studeert geschiedenis.’

Klaas gaf Georges een hand. ‘Geinig man. Wat is je expertise?’

‘Ik leg de laatste hand aan een proefschrift over de plaatjes van Pyrgi.’

‘Je meent het? Heb je ze gezien?’

‘Alleen op foto’s.’

‘René, man, heb jij toffe studiegenoten.’

Klaas en Georges raakten in gesprek over de gouden plaatjes die enkele jaren voordien waren opgegraven in Italië. Georges was blij om eindelijk zijn bevindingen te kunnen delen. Zijn eindeloze onthullingen over Etrusken en Feniciërs hadden René noch de anderen ooit kunnen boeien.

René ging naar beneden, vulde een emmer met water en kieperde hem tegen het besmeurde vensterraam. Van de weeromstuit gutste het water over zijn broekspijpen. In het naar boven gaan hoorde hij Klaas en Georges discussiëren over het Etruskische alfabet. Op zijn kamer hing hij zijn kleddernatte broek op de radiator. De koppijn woedde in alle hevigheid, net als de rukwinden die opnieuw kwamen opzetten en zijn vensterraam deden rammelen in hun sponningen. Rillend als een malarialijder kroop hij in bed.

Waarom ging je haar zelf niet zoeken?

 

Tegen vijven werd hij wakker. Hij wreef de etter uit zijn ogen. In het keukentje at hij een boterham. Van Klaas geen spoor. De anderen arriveerden en gingen ook aan tafel.

‘Is von Karajan goed thuis geraakt,’ vroeg Jean.

‘Hij bleef bij mij slapen.’

‘Kent verdomd veel van muziek.’

‘En van de Etrusken,’ zei Georges.

‘Zijn vader wil dat hij ingenieur wordt. Hijzelf wil archeoloog worden.’

‘Da’s pech,’ zei Pol, die zich in de baard krabde.

Er werd aangebeld. Even later stak Klaas de deur open, monter als een vers geplukte augurk. ‘Doei,’ en tegen Pol: ‘Hallo, aangenaam.’

Hij schoof bij aan tafel. ‘Hoe stelt onze zieke het? Nog altijd een beetje pips, zie ik.’ Hij nam een snee brood uit de zak van Pol, kwakte er een plak kaas tussen en begon smakelijk te eten. ‘Jullie hebben echt fantastisch brood. Veel beter dan ons bordkarton.’

‘Ga vooral je gang,’ zei Pol.

‘Iemand een bakkie koffie voor mij?’

René schonk hem een kop. Hij voelde zich opgelaten. De anderen gniffelden.

‘Nou, René, wat brengt de rest van de dag?’ vroeg Klaas met zijn mond vol brood.

‘Niets, ik kruip terug in bed.’

‘Je slaapt al een hele dag.’

‘Ik heb nog werk.’

‘Nou, dat klinkt ontzettend onsamenhangend hoor. Wat wordt het? Slapen of werken?’

‘Ga weg. Via die grijze deur daar.’

‘Ik wil meer weten over dat wijfie van gisteravond.’

‘Ik ken haar niet. Ze houdt me vast voor iemand anders.’

‘Je raaskalt, man. Ze kent je naam. Misschien kent ze zelfs dat vriendinnetje van je.’

René keek op.

‘Wijfie? Vriendinnetje?’ vroeg Pol.

‘Je had haar figuurtje moeten zien. Een zandlopertje op dieet. Een en al welving. Lijkt als twee druppels water op Britt Ekland.’ Klaas hield zijn knokige handen een halve meter voor zich. ‘De knopen van haar pakje op springen. Fantastische benen, sterke kuiten, moet ook wel met zo’n bovenbouw.’

‘We weten intussen hoe ze eruitzag,’ zei René.

‘Komt ze naar hem toe gestapt, spreekt hem aan, antwoordt hij doodleuk: “Ken ik u, mevrouw?” Om je te bescheuren.’

René ruimde af.’

‘Wacht nou even, ik ben nog niet klaar.’

‘Neem vooral je tijd.’

Terug op zijn kamer begon René aan een inhoudstafel voor zijn cursus scheikunde. Even later stak Klaas de deur open. ‘Zit je nou waarachtig chemie te blokken?’

René gebaarde zich doof.

‘Komaan, je chemie loopt niet weg.’

‘Jij blijkbaar ook niet.’

‘Rot op met die zooi. Ik heb dorst.’

‘Zoek een watertoren.’

‘Erg grappig. We gaan onze kelen smeren, kom.’

‘Ik heb hoofdpijn.’

Klaas graaide Renés cursus en smeet hem op een schap bij de rest. ‘Heb je soms je maandstonden? Eén biertje en je bent ervan af.’ Hij nam Renés jas van de kapstok. ‘Je hebt welgeteld één minuut.’

‘Je bent nog slechter dan een luis in de pels van een straathond.’

‘Zo ken ik je weer.’

‘Waarheen?’

‘Naar de Heremiet natuurlijk. Dat blondje zoeken.’

‘Je bent geobsedeerd.’

‘Geïnteresseerd. Zou jij ook beter zijn, of moet je nog doorheen je puberteit?’

‘Je zag toch dat ze ouder is dan wij.’

‘En dan? Eentje met ervaring. Eens wat anders dan naïeve boerensnolletjes.’

‘Wishful thinking.’

‘Je zag toch hoe ze omging met die studenten? Lust vast wel een groen blaadje.’

‘Een dorre boomtak zal je bedoelen.’

‘Ga nou niet hatelijk doen. Ik probeer je op te vrolijken.’

Het was rustig in de Heremiet. Klaas’ therapie bleek te werken. Na twee biertjes voelde René zich een stuk beter. Hij vroeg aan de kroegbaas of de blonde vrouw er vaker kwam. De man kon niet helpen. Ze bleven tot het hen te lawaaiig werd.

‘Word jij ook verliefd op elk meisje?’ vroeg René op de terugweg.

‘Ach, man. Om gek van te worden. Een strakke kont, een stel lange benen, een paar wuivende wimpers. Alles is goed om me te doen capituleren.’

‘Een hel is het.’

‘We zien die blonde nooit meer terug.’

‘Zal ik een psychiater bellen?’

‘Je bent een hopeloze zeikstraal.’

‘Ik moet dringend orde op zaken stellen.’

‘Waar heb je het over?’

‘Ik moet gaan studeren.’

‘Vergeet het. Je bent veel te groen voor de unief.’

‘Zegt hij die zijn jaar overdoet.’

‘Ik zie je toch bezig. Je bent trager dan een tuinslak met reuma. Je wil alles tot in de puntjes begrijpen en dat gaat niet. Je moet blokken als een robot en dat kan je niet. Ik hou het voor bekeken. Ik kap ermee. Zou jij ook beter doen.’

‘Gaat niet. Mijn moeder doet er alles aan om mij te laten studeren.’

‘Zozo, ligt daar het kalf gebonden? Ons melkmuiltje is bang voor de boze mammie. En wat zegt de pappie?’

‘Heb ik niet.’

‘Wat is er gebeurd met je verwekker?’

‘Gestorven.’

‘Oei, sorry man.’

‘Ik moet dringend aan het werk.’

‘Je zou beter op zoek gaan naar dat meisje.’

‘Hoe dan?’

‘Ik kan toch helpen?’

‘Nooit van mijn leven.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat je als een bloedzuiger op mijn lijf plakt!’

‘Straks is het nog mijn fout.’

‘Sinds ik jou ken, gaat alles bergaf.’

‘Krijg verdomme de rattenkanker.’

 

OceanofPDF.com