De Parisienne
Chapitre 8
I can tell by your eyes
that you’ve probably been cryin’ forever
Rod Stewart – I Don’t Want to Talk About It
De dag erna spoelden ze de alcohol weg met een emmer oliezwarte koffie. ‘Klaas, ik heb iets ontdekt gisteravond. Ik weet waar Gina is.’
‘O ja? Kreeg je een visioen?’
‘In Parijs.’ Hij klapte het medaillon open en toonde Gina’s foto. ‘Het staat op de achterkant.’
‘Verdomd hete donder. Nu begrijp ik waarom je ’s nachts orgastische stuipen krijgt.’
‘Ze is verdomme dertien op deze foto.’
‘Loop je daar nou al die tijd mee rond zonder eens op de achterkant te kijken?’
‘Ja.’
‘Erg slim. En nu?’
‘Ik ga haar zoeken.’
‘Groot gelijk. Hoe pakken we het aan?’
‘We?’
‘Ik zei toch dat ik zou helpen.’
‘Thuis heb ik een map met krantenknipsels. Misschien vind ik daar een aanwijzing.’
‘Je gaat naar huis?’
‘Ja.’
‘Nou, is me dat balen.’
‘Waarom?’
‘Ik verveel me pokkedood tijdens het weekend. Als ik nou eens meeging met jou?’
‘Geen sprake van.’
‘Maak ik kennis met de vrouw die de meest prominente oelewapper van het westelijk halfrond ter wereld heeft gebracht.’
‘Gaat niet gebeuren. Na vijf minuten schopt ze je de deur uit.’
‘Ach, is het er zo eentje. Je hebt toch een logeerkamer? Of moet ik bij de varkens slapen?’
‘We hebben geen varkens meer. Tenzij je hun plaats wil innemen.’
‘Wanneer vertrekken we?’
Klaas zeulde een koffer achter zich aan met de afmetingen van een Egyptische sarcofaag.
René lachte. ‘Dit is niet de Orient Express, weet je, en we reizen niet naar Constantinopel.’
‘Weet ik veel in welk godvergeten gat ik terechtkom. Ik bracht proviand mee voor een hele week.’
René koos een zitje in de rijrichting, omgekeerd werd hij misselijk. ‘Als je moeder haar keuken leert kennen, gooi je al je proviand overboord.’
‘Wanneer ga je er iets over zeggen?’
‘Waarover?’
‘Over het ontgroeningsritueel.’
‘Dat ga ik nu eens niet aan je glimmende neus hangen.’
‘Komaan René. Aan de bef geweest?’
‘Ik moet naar het toilet.’
Bij zijn terugkomst zei Klaas: ‘Vooruit, vertel op.’
‘We gingen naar de bioscoop.’
‘De Leopold?’
‘De Capitole. Barry Lyndon.’
‘Ben je nou waarachtig gaan zien naar de meest geestdodende drol die Kubrick ooit uit zijn darmen heeft geperst?’
‘Het was best mooi. Prachtige muziek ook.’
‘Langdradig geouwehoer, jongen. Ik kijk nog liever drie uur naar de was die hangt te drogen. En daarna?’
‘Zijn we In ’t Geniep iets gaan drinken.’
‘Typisch voor jou, stiekemerd.’
‘Het café heet In ’t Geniep. Daarna hebben we plaatjes gedraaid bij haar thuis. Van The Eagles en van Abba.’
‘Schone wijven, die van Abba. Vooral die blonde met haar splijttanden. En dan?’
De trein vertraagde.
‘We zijn er.’
‘Godverdommese klerelijer. Nu weet ik nog niets.’
Ze verlieten het station. ‘Woon je in de stad?’
‘Nee. Het is nog een kwartier rijden met de wagen. Moeder haalt ons op.’
Even later denderde Renés moeder in een zilverkleurige Cortina over de stoep en stopte met piepende banden voor het tweetal. Ze stapte uit om de kofferbak te openen.
‘Ma, dit is Klaas, hij vroeg of hij bij ons mag logeren.’
‘Mevrouw Nieuwelinck, ik vind het een bijzonder genoegen om met u kennis te maken. Uw zoon houdt niet op om u de hemel in te prijzen, dus ik dacht, voor ik sterf wil ik deze mieterse vrouw ontmoeten.’
Renés moeder gaf Klaas een hand. ‘Ga je dood, mijn jongen?’
‘Ach mevrouw, dat gaan we toch allemaal, vroeg of laat, maar nu ik u zie, heb ik besloten dat nog enkele jaren uit te stellen.’
‘Ziek dan?’
‘Nee, mevrouw, hoogstens liefdesziek van een meisje dat me onlangs op de meest verwerpelijke manier het hart heeft doorboord met een vlijmscherpe speer van venijn.’
‘Je bent van harte welkom, jongen. Bij ons krijg je direct andere gedachten.’
‘Zet nu eerst die doodskist in de kofferbak,’ zei René.
Klaas hees de koffer in de wagen en nam plaats op de achterbank met de knieën tussen de voorste zetels. Mira trapte het gaspedaal in en vertrok met achterlating van een grijze wolk uitlaatgas.
‘Pittig wagentje, mevrouw.’
‘Kan je wel zeggen. Een motor van 1500 cc.’
‘Heb je daar een leuk racewagentje onder de bips.’
René keek om en maande Klaas om zijn mond te houden.
Eenmaal thuis bracht Mira de kamer van Renés broer Marcel in gereedheid. Ze legde verse lakens op het bed en klopte de kussens op.
Klaas keek aandachtig toe. ‘Dit was de kamer van …?’
‘Mijn oudste zoon. Hij is vorig jaar getrouwd. Het bed is iets te kort, vrees ik.’
‘Dat ken ik, mevrouw.’
‘Ik heet Mira. Pak rustig alles uit. Over een half uurtje eten we.’
‘Dank u wel, mevrouw.’
René, in het deurgat, rolde met de ogen. ‘Hoe slijmerig kan je zijn?’
‘Mijn beste Nieuwelinck, eindelijk zie je mijn ware aard.’
‘Wie is dan die vuil spuiende smeerpijp waar ik al maanden mijn tijd mee verdoe?’
‘Dat is mijn walgelijke alter ego. Ik legde het je al uit.’
‘Ik hoop dat je je manieren houdt aan tafel.’
‘Dan ken je me nog niet, beste vriend. Je maakt dit weekend kennis met de enige echte Klaas den Dunnen.’
In de keuken bleef Klaas staan voor de foto van Rolf, de vader van René. ‘Is dit wijlen de heer Nieuwelinck, mevrouw?’
‘Ja.’
‘U kreeg het ook al hard te verduren.’
‘Spijtig genoeg wel. Ga zitten.’ Mira plaatste aardappelen, bloemkool en karbonaden op tafel.
Klaas at alsof de laatste dag van zijn aardse leven was aangebroken. Toen alle potten leeg waren en hij de ajuinsaus van zijn kin had geveegd, zei hij: ‘Mevrouw Nieuwelinck, dit was het heerlijkste diner ooit.’
‘Vleier. Je komt uit Holland, niet?’
‘Friesland, mevrouw, in het Noorden van Nederland. Sexbierum.’
‘Seksbier?’
‘Foei, mevrouw. Uw geest is vertroebeld door zondige gedachten. Het is u vergeven. Het is inderdaad een erg ongewone naam. Het heet wel degelijk Sexbierum.’
‘Je praat zo verzorgd. En zo snel.’
‘Als ik Fries zou spreken mevrouw, zou u geen woord van me begrijpen. Gelukkig kreeg ik een goede scholing in een Amsterdams internaat.’
René verdween naar het toilet. Bij zijn terugkomst zei Mira: ‘Dat is nu al de derde keer, René. Voel je je wel goed?’
‘Ik heb diarree, koppijn en maagpijn.’
‘Drink je wel genoeg?’
‘Mevrouw Nieuwelinck, dat zeg ik hem nou ook de hele tijd. Ik moet hem voortdurend aansporen om zijn basale lichaamsvochten op peil te houden.’
‘Je studeert te veel. Die studies zijn veel te zwaar voor jou.’
‘U neemt me de woorden uit de mond, mevrouw. Van ’s morgens tot ’s avonds zit hij met een droge neus in de wiskunde, de chemie en de fysica. Dan vergeet hij te eten en te drinken, krijgt maag- en darmspasmen en wordt helemaal slapjes. Hij heeft er het gestel niet voor, mevrouw.’
‘René, je moet het wat kalmer aan doen.’
‘Doe ik toch.’
Mira begon met afruimen waarop Klaas zei: ‘Nee mevrouw. Een chef de cuisine gaat geen tafels afruimen. Neemt u een lekkere middagpauze. Ik en René doen de vaat.’
‘Zoiets heeft nog nooit iemand tegen mij gezegd.’
‘Wel mevrouw, dat is een gore schande. Vooruit René, zeg wat ik moet doen.’
Mira vertrok naar de woonkamer. René liet warm water in de spoelbak lopen. ‘Je mag stilaan ophouden met dat gefleem. Denk maar niet dat ze je niet doorheeft.’
‘Ach wat. Je moeder is een prachtvrouw. Ben je zeker dat je de vrucht bent van haar schoot? Dat je geen schurftige vlooienbaal was die ze in huis haalde toen je haar stoep zat te beschijten?’
‘Jij wast af, ik droog af. Breek iets en je prachtvrouw wordt je zwartste nachtmerrie.’
Na de afwas gingen ze naar buiten. ‘Is dat het cafeetje waar je het over had?’ vroeg Klaas.
René knikte.
‘Laten we er heengaan vanavond.’
‘Nee. Dan moet ik aan die avond denken en dat wil ik niet.’
‘Je weet ze nogal uit te kiezen. Sœur Sourire die het klooster wordt uitgeschopt en Marilyn Monroe die verdwijnt naar Timboektoe.’
‘Ik moet dringend Bianca zien.’
‘Waar is dat goed voor?’
‘Als ik haar niet snel terugzie word ik gek.’
‘Je testosteronspiegel staat te hoog. Je valt ten prooi aan een bestiale drang tot premature procreatie.
‘Wat?!’
‘Je wil weer wippen. De roerselen der hartstocht en copulatie hebben voor mij geen geheimen. Trouwens, we spraken af dat we op zoek gaan naar je vriendinnetje.’
‘Doe ik, maar ik laat Bianca niet vallen.’
‘Vertaald: ik heb al een lief. Ik schatte jou hoger in, Nieuwelinck.’
‘Ik ook.’
‘Je loopt al acht jaar te fantaseren over dat meisje en na één wip met Bianca ben je haar vergeten.’
‘Dat ben ik niet! Ik zei toch dat ik haar ga zoeken!’
Klaas greep zichzelf bij de neus. ‘Gelukkig. Hij is er nog.’
‘Ik weet alleen nog niet hoe.’
‘Typisch voor mensen met slechts één hersencel. Eerst het probleem opblazen en dan zeggen dat het onoplosbaar is. Echte genieën gaan andersom te werk.’
‘Leg me je geniaal plan dan eens uit, Sherlock.’
‘Kom mee.’
Ze gingen naar Renés kamer. ‘Luister. Hoe eet je een olifant van chocolade?’
‘Wat heeft een olifant ermee te maken?’
‘Geef antwoord.’
‘Dat gaat niet.’
‘Jawel. Je breekt hem in stukjes en eet ze op.’
‘Lekker. Wat dan?’
‘Moet ik jou echt alles uitleggen. Je splitst het grote probleem op in kleintjes en lost ze een voor een op. Makkie. We beginnen bij die tante in Roeselare. Hoe heette ze?’
‘Geen idee.’
‘Hoe heette de moeder?’
‘Lea.’
‘Familienaam, oliebol.’
‘Ben ik vergeten. Liefooghe of zoiets.’
‘Geef nou eindelijk eens die krantenknipsels.’
René nam een map uit zijn nachtkastje. Samen doorsnuffelden ze alle artikels.’
‘Hier staat: Lea S. Liefooghe kan je schrappen.’
‘Schoonooghe! Zo heette ze.’
‘Wat een gekke namen hebben jullie Vlamingen toch.’
‘Nog altijd beter dan “den Dunnen”.’
‘Wil je een lel tegen je pruik?’
‘Schoonooghe dus. Er kunnen honderden Schoonooghes wonen in Roeselare.’
‘Ja, maar slechts eentje met drie nichtjes waarvan er eentje in 1969 spoorloos verdween. Ik weet genoeg.’ Klaas sloot de map en vertrok ermee naar zijn kamer.
Na het avondeten vroeg hij of er in de buurt echt geen etablissement was waar ze hun elektrolytenhuishouding op peil konden brengen.
‘In een dorp verderop is een leuk cafeetje.’
‘Je hebt een rijbewijs, mag ik hopen.’
‘Ja, maar ik ga niet met de wagen rijden en drinken. Het is de fiets of niets.’
‘Hopelijk heb je er eentje op mijn maat.’
In de werkplaats sleutelde René het zadel van de oude fiets van Marcel in de hoogste stand en ze vertrokken. Ze fietsten naar het naburig dorp waar Klaas de hele avond de curves van de roodharige cafédochter becommentarieerde tot de cafébaas hen eruit zette.
‘Dat heb je weer schitterend gedaan.’
‘Jullie Vlaamse boerentrientjes mogen er best zijn, maar ze zijn zo nuffig als een begijn. Daarbij vergeleken zijn Nederlandse kostschoolmeisjes echte sletjes. Eén blik op mijn buitengewone fysionomie en ze smelten tussen de benen.’
‘Aldus de grootste vrouwenversierder van Nederland.’
Tegen twaalven waren ze terug. In plaats van het erf op te rijden, reed Klaas de parking van de Fox op, waar nu In de Welkom prijkte boven het raam. Hij plaatste zijn fiets met het voorwiel in een provisoir fietsenrek en wenkte René. ‘Eén afzakkertje, meer niet.’
René volgde Klaas naar binnen. Het voelde vreemd om er na al die jaren terug te zijn. Hoewel het interieur was vernieuwd met modern meubilair, zag hij nog perfect hoe het was geweest, met alle lugubere details. De jukebox speelde Daydream van Wallace Collection, het lied waarop hij die zomer van 69 een slow had gedanst met Gina.
Het werden uiteindelijk een half dozijn afzakkertjes.
‘Nieuwelinck … we moeten zo snel mogelijk op zoek naar dat meisje,’ bralde Klaas tegen tweeën. ‘Stel je voor dat ze is ontvoerd door een of andere klootzak met onkuise bedoelingen.’
Zoiets was nooit eerder bij René opgekomen. Het bezorgde hem koude rillingen. ‘Ze is weggelopen voor haar vader.’
‘Wat een klootzak. Weet je Nieuwelinck. De wereld zou veel beter af zijn zonder klootzakken. Kom, we zijn pleite.’
‘Was het leuk gisteravond?’ vroeg Renés moeder de volgende ochtend bij het ontbijt.
‘We hebben een fijne fietstocht gemaakt, mevrouw. Wat een prachtig landschap. Hoe noemen jullie het ook alweer?’
‘Vlaamse Ardennen.’
‘Best vermoeiend, die hellingen. Daardoor waren we nogal laat thuis.’
‘De fietsen zijn dan maar alleen doorgereden?’
‘U spreekt in raadsels, mevrouw.’
‘Ik zag ze niet in het werkhuis.’
‘Ach, nu begrijp ik uw mysterieuze vraag. U bent me er eentje. Na onze tocht was het ietwat aan de late kant. Om u niet te storen in uw eerste slaap, gingen we rechtover nog een frisdrankje consumeren. René vertelde over het drama dat er is voorgevallen.’
‘Je hebt hier rechtover niets te zoeken, René. Blijf daar weg. Dat café brengt ongeluk.’
De rest van het weekend deed Klaas zijn best om het Renés moeder naar de zin te maken en ondertussen haar koelkast leeg te eten. ‘Mevrouw Mira, u bent de schattigste vrouw op aarde. René trof het waarachtig met zo’n moeder. Neem als blijk van dank deze Friese kleinoden van mij aan: een fles Beerenburg van Weduwe Joustra tegen bevroren tenen op koude winteravonden en een stukje kruidnagelkaas met komijn waar je van kan genieten tijdens het aperitief.’
‘Oh, dank je wel.’ Ze legde het stuk nagelkaas in de koelkast en nam de likeur mee naar het barkastje in de woonkamer.
‘Ik ga inpakken,’ zei Klaas.
Op maandagmorgen bracht Renés moeder hen naar het station. Klaas gaf haar bij het afscheid drie zoenen. ‘Mevrouw Nieuwelinck, u bezorgde me het leukste weekend sinds jaren. U beweerde dat ik andere gedachten zou krijgen en u kreeg volkomen gelijk. Dankzij uw gastvrijheid dacht ik geen enkele keer aan dat verderfelijke meisje. Ik zal haar nu gauw vergeten.’
‘Blij te horen, beste jongen. Je bent altijd welkom.’
Mira nam René terzijde. ‘Je vriend deed het hele weekend zijn best om een rookgordijn op te hangen, maar mij maak je niets wijs. Je verliest alweer de trappers. Beloof me dat je geen gekke dingen doet.’
‘Ik beloof het, ma.’
‘En als de studies te zwaar zijn, zoeken we iets anders.’
‘Dan zijn al je inspanningen voor niets geweest.’
‘Er zijn ergere dingen in het leven.’
Tijdens de treinrit naar Gent tuurde René roerloos door het raam. Hij sprak geen woord, ondanks Klaas’ pogingen om een gesprek op gang te brengen. Uiteindelijk gaf Klaas het op en legde zich te slapen op het zitje rechtover hem, zijn benen dwars over het gangpad. Bij het verlaten van het station zei hij: ‘Deze middag krijgsraad bij jou.’
Ze namen elk een andere tram naar hun logies.
Op weg naar zijn kamer werd René teruggefloten door Theo, de kotbaas. ‘Kom eens hier.’ De dreigende ondertoon voorspelde naderend onheil.
‘Mijn beste René, bij je intrek heb ik je duidelijk de huisregels toegelicht. Ik verwacht dan ook dat je ze respecteert.’
‘Doe ik, meneer.’
‘Nee, dat doe je niet. Vrouwelijk bezoek op de kamers is niet toegestaan.’
‘Erewoord, meneer, ik bracht nog nooit meisjes mee.’
‘Leg me dan eens uit waarom er sinds vanmorgen een vrouw op je kamer zit.’
‘Een vrouw? Op míjn kamer?’
‘Ja, een vrouw, op jóuw kamer. Ik verzocht haar om te vertrekken maar ze beweert dat ze je dringend moet spreken.’
‘Ik weet van niets, meneer.’
‘Had ze er niet zo ellendig uitgezien, ik had haar eruit gegooid.’
‘En waar is ze nu?’
‘Luister je wel? Op je kamer. Ik ga nu naar de markt. Als ik terugkom is ze de deur uit. Begrepen?’
René stormde naar boven.
OceanofPDF.com