De Parisienne
Chapitre 4
Ik hou van alle vrouwen
Mijn hart is veel te groot
Rum – Ik hou van alle vrouwen
De volgende weken leek Klaas van de aardbol verdwenen. René pikte de draad met de lessen terug op, maar er was iets geknakt. ’s Nachts lag hij urenlang naar het plafond te kijken, geplaagd door een aanhoudende mentale mist in zijn hoofd. Andere keren zwierf hij doelloos door de verlaten straten van de slapende stad. Overdag, doodmoe, doolde hij van de ene campus naar de andere, verdwaalde, zocht vergeefs naar een leslokaal, om uiteindelijk vast te stellen dat hij op de verkeerde campus stond. Als hij dan toch een les bijwoonde, verveelde hij zich en kreeg hij het gevoel weg te zinken in een kuip vol drijfzand.
Tijdens de weekends verborg hij zich op zijn kamer, staarde uitzichtloos naar zijn cursussen, de ogen vol wanhoop omdat hij er niets van begreep. Studeren lukte niet. Klaas had gelijk. Hij was te traag. Te groen. Tijdens de maaltijden onderging hij de vorsende blikken van zijn moeder. ‘Scheelt er iets?’ vroeg ze dan. Hoe moest hij haar uitleggen dat hij schromelijk aan het falen was? Dat al haar zuurverdiende centjes tot niets zouden dienen? Om zichzelf te troosten hielp hij haar zoveel mogelijk in het huishouden.
Op kot voerde hij lange gesprekken met Jean, die alles in het werk stelde om hem te helpen. Het haalde weinig uit. Dan luisterden ze naar plaatjes en dronken Calvados. Jean liet hem kennis maken met klassieke muziek. Voor René opende zich een nieuwe wereld. Hij raakte in de ban van de symfonieën en pianoconcerten van Beethoven. Mozart vond hij te licht. Hij maakte kennis met Marianne van Cohen en Martha van Waits. Op de gitaar van Jean leerde hij de akkoorden van Heart of Gold.
Tijdens de gemeenschappelijke maaltijden in het keukentje leerde hij dat er naast de exacte wetenschappen ook een sociaal en politiek universum bestond. De radio in de keuken stond vastgeroest op BRT 1 voor Actueel en Wat is er van de Sport. Hoe minder lessen hij volgde, hoe meer hij meediscussieerde met de anderen. Over de ETA in Spanje, de IRA in Ierland, Castro in Cuba en Moboetoe in Kongo. Over de Rode Brigades in Italië en de Rote Armee Fraktion in Duitsland. Dat Van Impe geen Merckx was en dat hij geen twee keer de Tour zou winnen. En dat Merckx de absolute kampioen was en alle anderen kermiscoureurs.
Met Pol ging hij naar Novecento van Bertolucci, in twee keer want de film was te lang om in één keer te vertonen. Hij was onder de indruk. Pol zei achteraf ook niet veel. Pol zei nooit veel.
Als de Calvados op was bezocht hij met Jean de Heremiet of de Groene Griek, om te luisteren naar underground van Frank Zappa en te kijken naar dromerige meisjes in gipsybloesjes en jeans met brede broekspijpen.
Op een avond slenterde hij alleen naar de Heremiet omdat Jean moest blokken. Aan de toog trof hij Klaas met een gifgroene cocktail. Klaas zag er zelf ook gifgroen uit. Zweetdruppeltjes parelden op zijn voorhoofd. Hij keek op, verwonderd, als een giraf die was betrapt op het leegslurpen van een dakgoot.
René nam de barkruk naast hem. ‘Alles goed?’
‘Kijk nou, uit welk mollengat kom jij gekropen? Waar zat je de hele tijd?’
‘Lessen volgen, studeren.’
Het wit van Klaas’ ogen zat vol rode adertjes. Zijn neus blonk en zag bleek. ‘Zal wel. Probeer niet te liegen, linkmiegel.’
‘Wil je nog van dat groene spul?’
Klaas knikte.
‘Wat is het? Vitriool?’
‘Tonic met Pisang.’
René riep de waard en vroeg een biertje en een tonic met Pisang. ‘Ik zag je niet tijdens de lessen.’
‘Ik zei toch dat ik het voor bekeken hield.’
‘Zag je Martien nog?’
‘Zwijg over dat stuk verdriet.’
De waard bracht de drankjes. René betaalde.
‘Je drankje ziet er walgelijk uit.’
‘Ik ben zelf ook walgelijk. Ik ben de walgelijkste vent op het Westelijk halfrond. Zie me hier hangen, zonder één druppel bloed in mijn lijf.’
‘Waar is het naartoe?’
‘De Chinezen hebben het afgetapt.’
‘Deed het pijn?’
‘Lach maar. Volgende week komen de Russen mijn ingewanden leegzuigen.’
René dronk van zijn biertje.
‘Ze heeft me laten stikken, René.’
‘Wie?’
‘Martien.’
‘Hoezo?’
‘Ik had iets met haar.’
‘Onzin. Je noemde haar een ijskonijn.’
‘Niks ijskonijn. Eenmaal tussen de lakens was ze een vuurspuwende Vesuvius.’
‘Ik geloof je niet.’
‘Ze liet me alle hoeken van de kamer zien. Het geile beest brak verdomme mijn bed af.’ Klaas keek mistroostig voor zich uit. ‘Het waren de mooiste weken van mijn leven.’
René zag dat hij het meende. ‘Sorry hoor, Klaas.’
‘Ze dropte me als een Tampax. Van de muts in de plee.’
‘Wat ben je weer plastisch.’
‘Ze zei dat het leuk was geweest, dat ze op zoek ging naar iets anders. Stel je voor. Het meest afgezaagde cliché ter wereld. Op zoek naar een andere lul, ja.’
‘Dat was niet mooi van haar.’
‘Dan heb je eens een leuk meisje. Oké, zo sexy is ze nu ook weer niet, maar ze heeft iets.’
‘Ja. Da’s waar, ze heeft iets.’
‘Weet jij wat ze heeft?’
‘Nee.’
‘Ik ook niet.’
‘Je mag mijn tapijt hebben.’
‘Hoezo.’
‘Nu je bed is afgebroken.’
‘Zit je me uit te lachen?’
‘Grapje. Er komen wel andere meisjes langs.’
‘Gebeurt niet. Moet je mij zien. Een skelet op een barkruk met een pisang tussen de kootjes.’
‘Kraak jezelf niet zo af. Je bent nog de slechtste niet.’
‘Ik ben zo goed als dood, René. Kijk dan toch.’
‘Nu je het zegt. Er kruipen al wormen uit je neus.’
‘Respectloze proletariër.’
‘Wanneer was je laatste douche?’
‘Gaat je geen klotemoer aan.’
‘Als je zo doorgaat, ga ik elders zitten.’
De deur van de herberg zwaaide open en weer dicht. René rook haar bloemetjesparfum nog voor hij haar zag. Hij keek om. Ze kwam op hen af, de blonde met de felblauwe ogen en het abrikooskleurig mantelpakje. Ze nam een barkruk en wurmde zich tussen hen in. ‘Jongen, jongen, hoe zie jij eruit?’ zei ze tegen Klaas.
Die stootte van het schrikken zijn gifgroene drankje in de spoelbak van de waard.
‘Op sterven na dood,’ zei René.
‘Oei. Wanneer is de begrafenis?’
‘Gingen we net bespreken.’
‘Zo, René, eindelijk hebben we even tijd om bij te praten. Wie is je zieltogende vriend?’
‘Klaas. Uit Nederland.’
Klaas kreeg terug wat kleur op zijn glimmende neus.
‘Stel me even voor.’
‘Als u me zegt wie u bent, mevrouw.’
‘Heb je echt geen idee?’
‘Nee. Hoe zou ik?’
‘Laat me even denken. Hmm… Zesde leerjaar 1969.’ Ze lachte haar fonkelend witte tanden bloot.
‘Zesde leerjaar negentien…’
‘Neem allemaal uw rekenboek op bladzijde twintig,’ zei ze plechtstatig. Ze kletste zich op de dijen. ‘Komaan, René.’
Het begon hem te dagen. Die blauwe ogen … dat blonde haar … dat deukje in haar kin. Waar was het brilletje? De kap? ‘Het is niet waar.’
‘He, paljas, alles goed?’
‘Daar begint iets naar beneden te dwarrelen,’ zong ze.
‘Zuster …?’
‘Kijk eens aan. The eagle has landed.’
‘… Virginie?’
‘Nou moeten jullie mij verrekt eens uitleggen wat hier aan de hand is,’ zei Klaas.
Renés hoofd blaakte als een gloeilamp. In een hevige aandrang om van zijn bier te drinken, stootte hij net als Klaas zijn glas om in de spoelbak.
‘Willen jullie daar eens mee ophouden?’ riep de waard.
‘Ik heet Bianca nu. Virginie was mijn kloosternaam.’
‘Zuster Bianca?’
Ze spreidde haar armen. ‘Zie ik eruit als een zuster, René?’
‘Verdomme nog niet. Een dubbelgangster van Britt Ekland, dat ben je’ zei Klaas.
‘Mag ik dat opvatten als een compliment?’
‘En nog geen kleintje ook.’
‘U bent geen zuster meer?’ vroeg René.
‘Zeg kerel, waar zie jij hier ergens een non?’
‘Nee. Op mijn paspoort staat Bianca Liefkens. Aangenaam.’ Ze gaf René een hand.
Een warme tinteling trok door zijn lijf. Hij kon zijn ogen niet van haar afhouden. Zij was het, zuster Virginie. Hij had altijd vermoed dat ze knap was, maar dit sloeg alles.
‘Zuster … mevrouw Liefkens, ik had je nooit herkend.’
‘Ik hoor liever juffrouw, mevrouw klinkt zo oud. Wie trakteert? Jullie laten een dame toch niet omkomen van de dorst.’
Klaas schoot in actie en wenkte de kroegbaas. ‘Wat mag het zijn, juffrouw Bianca?’
‘Porto.’
‘Eén porto en twee bier.’
‘Wat zie je er goed uit, René. Waar is dat slome dromertje met flapoortjes en knokige knietjes?’
‘Dromertje? Een geniepige gladjanus die het aanlegt met de mooiste vrouwen.’
‘Ach, Klaas, zit je nou te flirten?’
‘Nee hoor zuster, … eerwaarde, verdomme nu begin ik ook al.’
Bianca lachte. ‘René kent anders nog wel meer mooie meisjes. Is het niet? Hoe heette jouw vriendinnetje ook alweer?’
Klaas stak zijn vinger op. ‘Laat me raden, Gina?’
‘Juist. Ken je haar?’
‘Nee, maar de geilaard krijgt er natte dromen van.’
‘Vreselijk wat er toen is gebeurd. Zag je haar nog terug, René?’
‘Nee.’
‘Waarom zocht je haar niet?’
‘Waarom vraagt iedereen me dat?’
‘Hij heeft het lef niet om haar te zoeken.’
‘Dat heb ik wel!’
‘Ho ho, bijt mijn neus eraf.’
René richtte zich tot Bianca. ‘Wat doet u momenteel, nu u geen zuster meer bent?’
‘Ik werk als secretaresse in een transportbedrijf. Mijn kennis van het Frans kwam me goed van pas.’
Klaas keek gehypnotiseerd naar de knoopsgaten van Bianca’s colbertje. Ze deed het jasje uit en hing het netjes over de leuning van een stoel. De bovenste knoopjes van haar bloes stonden ook al onder druk. Nog even en hij begon te kwijlen. René gaf hem een trap tegen de schenen.
‘Waar is de tijd?’ zei Bianca met een zweempje nostalgie in haar stem.
‘Hoe komt het dat u geen zuster meer bent?’ vroeg René.
‘Het kloosterleven was niets voor mij.’
‘Hoe kwam u er dan terecht?’
‘Ik werd gedwongen van thuis uit. Nooit goed. De tijd dat anderen mijn keuzes bepalen is voorbij. Niemand zegt me nog wat ik moet doen. Dat beslis ik zelf wel.’
‘Je was best streng.’
Ze glimlachte. ‘Ik was mezelf niet in die tijd. Iets brak in mij na de dood van mijn vriendin.’
‘Zuster Pia?’
‘Ja. Ze had een zwaar leven in dat klooster. Dat verdiende ze niet.’
‘Nee,’ zei René, ‘dat verdiende ze niet.’ Hij dacht terug aan het minzame zustertje waarmee hij bevriend was geweest. Ze had hem haar testament nagelaten, een handgeschreven roman en een bundel verhalen waar hij de laatste tijd vaak in las.
Bianca keek dromerig in haar porto. ‘Mijn bloed vond geen rust achter de kloostermuren en mijn lichaam verlangde naar meer dan naar een dooie aan een kruis.’
‘Weet ik,’ zei René. Het was eruit voor hij het besefte. Hij kon zichzelf wel de tong afbijten.
‘Hoezo?’
Zijn hoofd begon alweer te gloeien.
‘Vooruit. Wie A zegt moet B zeggen.’
‘Nu ja … Na de proclamatie … Jij en de pastoor.’
Ze dacht na en gaf hem een plets op zijn schouder. ‘Het was tóch jij?’
‘Vertel op,’ zei Klaas gretig.
‘Vertelt u het maar, juffrouw.’
‘Nou, veel valt er niet te vertellen. De pastoor was nogal een viriele loebas, en, zoals ik zei, mijn lichaam behoorde niet echt toe aan onze lieveheer. René zag ons toevallig bezig op een … hoe zal ik het zeggen … zaligmakend moment.’
Klaas zat te likkebaarden. ‘Bezig waarmee?’
‘Nou ja, moet ik er een tekeningetje bij maken?’
‘Zou wel handig zijn. Potjandosie nog aan toe. Een non aan het vozen met een pastoor. Dat droom ik nog niet in mijn wildste fantasieën. En dan?’
‘Niets.’
‘Krijg de rambam.’
‘Nou ja. Op een keer vroeg de pastoor me om voor misdienaar te spelen omdat de kleintjes allemaal ziek waren. Hij nam dat spelen nogal letterlijk want na de mis zat hij me in adamskostuum achterna in de sacristie. Geen van ons zag zusteroverste in het deurgat. Het arme schaap was vreselijk overstuur. Ze sloeg wel twintig kruistekens. Hij werd overgeplaatst en ik werd het klooster uitgeschopt. Thuis was ik ook niet meer welkom. Ik verkaste naar Gent. Het was een harde tijd. Tot ik een job kreeg bij een jonge ondernemer met een opstartend transportbedrijf. Hij zocht een secretaresse met talenkennis. Zijn vrouwtje zag mij niet zitten, hij des te meer. In elk geval werk ik er nog en het gaat goed met me.’
‘Ongelooflijk,’ zei Klaas, ‘een waarachtig religieus romantisch drama.’
Een wat oudere jongen met sluik haar kwam binnen.
‘Daar is mijn afspraak,’ zei Bianca. ‘Ik laat jullie.’ En tegen Klaas: ‘Rust in vrede, jongen.’
‘Juffrouw Bianca, u bracht me terug onder de levenden. Je hebt een mirakel verricht.’
‘God zij geloofd. Misschien schuilt er toch nog een heilige in mij.’ Ze volgde de jongen met het sluike haar naar een tafeltje wat verderop. Na één rondje stonden ze op. Bij het verlaten van de pub tikte ze René op de schouder. Ze gaf hem een visitekaartje. Transport Vereenooghe stond erop, met een telefoonnummer en een adres. ‘Morgen om vijf uur. We kunnen samen iets eten.’
Hij keek haar na. Waar ging ze heen met die langharige pummel? Waarom nam ze hem niet mee? Hij kende haar toch veel langer? Gingen ze naar de bioscoop? Naar Histoire d’O? En wat daarna? Verbouwereerd bekeek hij het kaartje. Waarom gaf ze hem dit? Wat wilde ze? Herinneringen ophalen aan vroeger? Zo leuk waren ze ook weer niet. Hij stopte het kaartje in zijn achterzak.
OceanofPDF.com