De Parisienne

André Van Butsel · Chapitre 13 sur 40

Pages du PDF

De Parisienne

30 juni 1973

 

Mijn eerste creatie. En meteen de prix concours! In de wolken! Lili in alle staten. Tu a tellement de talent zegt ze. Ik word ontwerpster. Suis sûr. Guerre-Lavigne is de beste school ter wereld!

 

OceanofPDF.com

9

She might think that I’ve forgotten her

Don’t tell her it isn’t so

Bob Dylan – If You See Her, Say Hello

 

Ze lag op bed, haar gezicht in het kussen. Hij streelde haar rug. ‘Wat is er?’

Ze snikte.

‘Bianca, wat scheelt er?’

Ze schudde haar hoofd.

‘Zal ik koffie halen?’

Geen reactie.

Ontdaan ging hij naar beneden, zette een kan koffie, spoedde zich terug. Ze zat rechtop in bed, de benen opgetrokken, haar gezicht kletsnat. Hij voelde zich ongemakkelijk. ‘Wat is er gebeurd?’

‘Ik ben ontslagen. Op staande voet.’

‘Waarom?’

‘Rutger, mijn baas, stak weer zijn poten in mijn bloes. Opeens stormt dat wijf van hem naar binnen. De zottin viel mij aan met een gietijzeren perforator.’

Ze toonde een lelijke bloeduitstorting op haar arm.

‘De klootzak beweerde dat ik hem had verleid. Ik moest onmiddellijk vertrekken of ze vroeg de echtscheiding aan. Mijn ontslagbrief volgt.’

‘Wat een smeerlap.’

‘Alle venten zijn smeerlappen.’

‘Ja.’

‘Behalve jij, René.’

‘Je deed er goed aan naar hier te komen.’

‘Ik ben een slet. Nog slechter dan Maria Magdalena.’

‘Zeg dat niet.’

‘Eerst ontslagen uit het klooster, nu op mijn werk.’

‘Het ligt niet aan jou.’

‘Het is mijn lot. Telkens word ik door een man in het verderf gestort, eerst door die pastoor, nu door mijn baas. De rotzakken komen er mee weg, maar ik lig weer in de goot.’

‘Je vindt snel ander werk.’

‘Dat wijf zou er persoonlijk voor zorgen dat ik in Gent en omstreken niet meer aan de bak kwam.’

‘Zoiets kan ze onmogelijk waarmaken.’

‘Onderschat de rijken niet.’

Ze nipte van haar koffie, tuurde roerloos voor zich uit.

Hij sloeg een arm om haar schouders en drukte een zoen op haar wang.

‘Ik mis de moed om opnieuw te beginnen. Mijn lichaam speelt me parten.’

‘Je hebt een prachtig lichaam. Van een engel.’

‘René.’

‘Ik meen het.’

Ze keek op. ‘Stoute jongen.’

Hij sloot de gordijnen en deed de deur op slot. Teder ontkleedde hij zijn engel. Ze liet het zich welgevallen, een hulpeloos kind. Hij trok ook zijn kleren uit en samen kropen ze onder de lakens. In elkaars armen vielen ze in slaap. Tegen de middag begonnen ze elkaar te liefkozen.

Er klonk een bons op de deur. De deurkruk draaide heen en weer. ‘He, mafkees, ben je daar? We hadden toch afgesproken?’

René schoot in ijltempo in zijn kleren. ‘Wacht nou even!’

Klaas bleef op de deur rammen.

‘Open de deur, voor hij ze inslaat,’ fluisterde Bianca.

‘Je bent nog helemaal bloot.’

‘Ik blijf wel onder de lakens.’

René opende de deur. Klaas stormde naar binnen. ‘Ben je nu paranoïde ook nog?’ Hij zag Bianca in het bed. ‘Gossie, juffrouw Bianca, u hier. Duizendmaal excuus.’

‘Geeft niet.’

‘Ze is haar job kwijt.’

‘Hartstikke klote. Waarom?’

‘Vertel ik later wel.’

‘Wat sneu.’ Klaas nam ongemakkelijk plaats op een stoel. Hij haalde de knipselmap vanonder zijn jas. ‘Ik sprak af met René om een strijdplan op te stellen.’

‘Een strijdplan?’ vroeg Bianca.

René glimlachte. ‘Mijn voornemen staat vast. Ik ga op zoek naar Gina. Ik denk dat ze in Parijs woont. Tenzij ze al lang terug is. Ik wil het weten. Ik wil haar terugzien.’

Bianca herleefde. ‘Echt? Hoe wil je het aanpakken?’

‘We gaan op bezoek bij Lea, haar moeder.’

‘Je weet waar ze woont?’

‘Nee, dat moeten we nog uitvogelen. Haar zus woont in Roeselare.’

‘Ik wil helpen. Ik heb nu toch niets om handen. Wat zit er in die map?’

‘Krantenknipsels.’

‘Mag ik?’ Bianca bladerde door de map en las alle artikelen. ‘Ik weet genoeg. Draai jullie om. Ik wil me aankleden.’

Daarna gingen ze naar het keukentje om te eten. Na afloop vertrok Bianca om zich op te frissen. Ze spraken af om een uur later te vertrekken.

 

‘Je bent een geluksvogel, Nieuwelinck,’ zei Klaas toen ze weg was. Om de tijd te doden begonnen ze te eenentwintigen. René deelde de kaarten. ‘Wanneer ging je voor het laatst naar huis?’

‘Maanden geleden. Ik weet niet of ik nog terugkeer. Mijn vader is er nooit. Ons huis is leeg en koud als een mausoleum.’

‘Hoe geraak je dan aan geld?’

‘Ik heb een bankrekening die elke maand rijkelijk wordt gespijsd.’

‘En je moeder?’

‘Verliet ons toen ik zes was.’

‘Je kreeg ook al je deel tegenslagen.’

‘Bespaar me je medelijden.’

Er werd aangeklopt.

‘Binnen.’

Er gebeurde niets.

René opende de deur en begon te lachen. Klaas hapte naar lucht. ‘Gossiemikkie, krijg nou de kankerkoorts.’

‘We willen toch overtuigend overkomen. Wat is er overtuigender dan dit?’ Bianca draaide om haar as. Ze droeg een donkergrijze halflange rok, een zedig wit bloesje met ruches, een vormeloos jasje en een paar afgrijselijke zwarte instappers. Op haar hoofd een kapje dat met moeite haar blonde haar in toom hield. Om haar hals een kettinkje met een gouden kruis.

‘Zúster Bianca?’ vroeg Klaas.

Ze knipoogde. ‘Bianca is oké.’

René kreeg ketterse visioenen. ‘Nu ik je zo zie, voel ik me nogal een … heiligschenner.’

‘Kan niet mankeren, met deze non ging je schaamteloos van wippenstein.’

‘Klaas! Bespaar me je commentaar!’

‘Excuus, juffrouw Bianca. Mijn gore bek was mijn briljante verstand weer eens te snel af.’

‘Luister. Ik deed een paar telefoontjes naar de bevolkingsdienst van Roeselare en heb een adres.’

‘Je weet de koe flink bij de horens te vatten.’

‘Wat deden jullie intussen?’

‘Eh … kaarten.’

‘Dat helpt ons ook een eind vooruit. Kom, we vertrekken.’

‘Toch niet in dat blauwe zeepkistje van jou?’

‘Het is best een leuk wagentje.’

‘Ik pas er niet in. Waar leg ik mijn benen? Uit het raam?’

Onderaan de trap wachtte Theo hen op. ‘René, is dat vrouwmens … Excuseer eerwaarde.’ Als een boeteling boog hij het hoofd en stamelde: ‘Ik vroeg me af of René, euh … of René …’

‘Vrouwelijk bezoek kreeg?’ vroeg Bianca.

‘Zoiets ja.’

‘Hebt u iets tegen religieuzen, meneer?’

‘O, eerwaarde zuster, absoluut niet.’

‘René is erg devoot opgevoed.’

‘Oui, ma sœur.’

‘Très bien.’

René mocht naast Bianca vooraan. Klaas plooide zich dubbel op de achterbank. ‘Juffrouw Bianca, ik pas in dit vehikel als een boa in een botervloot.’

‘Het went wel.’

‘Hoe heb je dat adres losgepeuterd van de bevolkingsdienst?’ vroeg René.

‘Ik deed me voor als een verre nicht uit Frankrijk die een erfeniskwestie te regelen had. Sommige mensen hebben nog altijd respect voor een kloosterzuster, en al helemaal als ze Frans spreekt. “Excusez-moi monsieur. Je m’appelle Sœur Virginie”. De brave man aan de andere kant vergat op slag West-Vlaams te spreken. Oui ma sœur, non ma sœur. Ik vroeg naar Lea Schoonooghe, maar alleen haar zus Julia woont er.’

‘Juffrouw Bianca, u bent waarlijk de meest goddeloze non op de planeet. Lucifer zal je zondige zusterzieltje laten knetteren als een bosje kreupelhout.’

‘Er valt in dit leven weinig te bereiken als onbevlekte ontvangenis. Schat, zeg eens hoe ik moet rijden.’

René plooide de wegenkaart open en gaf haar de nodige instructies. Bij het passeren van het plaatsnaambord Roeselare gaf ze hem het adres. ‘Ganzestraat 17.’

Na drie rondjes door het centrum stopte Bianca op de markt en vroeg ze de weg. Nog drie routebeschrijvingen en enkele weinig godvrezende vloeken later, stopte ze aan het einde van een smalle straat. ‘Om de hoek begint de Ganzestraat. Klaas, blijf jij in de wagen?’

‘Om de dooie dood niet. Ik ben gekraakt en geradbraakt in dit vreselijke marteltuig dat lijkt gemaakt voor een lilliputter. Een kreeft in een korf heeft het beter. Haal me hier als de bliksem uit.’

René hielp hem uit zijn benarde situatie. Nadat Klaas goed en wel de controle terug had over zijn ledematen, sloegen ze de hoek om en belden aan bij nummer 17. Een vrouw van middelbare leeftijd deed open en bekeek het drietal met welgemeende verwondering.

‘Mevrouw Schoonooghe?’ vroeg Bianca.

‘Ja?’

‘Mogen we een paar minuutjes van uw tijd?’

‘Waarover gaat het?’

‘Uw zus Lea.’

Na enig aarzelen nodigde de vrouw hen binnen en leidde hen naar een keurig ingerichte woonkamer. ‘Neem plaats. Wilt u iets drinken, eerwaarde?’

‘Graag,’ zei Klaas.

‘Nee, dank u,’ zei Bianca.

De vrouw ging verbaasd zitten.

‘U herinnert zich nog de tragische gebeurtenissen van acht jaar geleden, mevrouw?’ vroeg Bianca.

‘Inderdaad. Mijn zus liet toen bijna het leven door die zuiplap van haar. Ze had hem nooit mogen toelaten om een café te beginnen. Ze wist dat hij dronk. Ik raadde het haar af maar ze hoopte op een nieuw begin.’

Bianca nam René bij de schouder. ‘Dit is de jongeman waaraan uw zus haar leven dankt.’

De vrouw gaf René een hand: ‘U bent …?’

‘René. Ik woon rechtover het café waar het gebeurde.’

Ze knikte. ‘De zusjes hadden het wel eens over jou. Ik mag er niet aan denken dat je haar hebt gezien nadat ze zo werd toegetakeld. Je bent zeer moedig geweest.’

‘Hij heeft het na al die jaren psychisch nog altijd erg moeilijk, mevrouw. Vandaar onze komst,’ zei Bianca.

‘Arme jongen. Waarmee kan ik u helpen?’

‘Hoe gaat het met Lea?’ vroeg René.

Julia verborg haar gezicht in haar handen. Hoofdschuddend zei ze: ‘Niet goed.’ Ze nam een zakdoek, droogde haar wangen en snoot haar neus.

‘Hoe is het met de kinderen?’

‘Ze doen flink hun best. Sophia doet haar laatste jaar Latijn en Claudia studeert wetenschappen.’

‘En Gina?’

‘Wie zal het zeggen?’

‘Is ze … nog altijd niet terug?’

Ze schudde haar hoofd.

‘Liet ze nooit iets van zich horen?’

‘Niet dat ik weet.’

‘Had uw zus contact met haar?’ vroeg Bianca.

‘Dat moet u aan haar vragen. Het ligt allemaal erg gevoelig.’

‘Zou u het erg vinden om ons het adres van Lea te geven?’

‘Ik betwijfel of ze jullie te woord zal staan. Ze leeft nogal … hoe zal ik het zeggen, teruggetrokken.’

‘We zullen haar met alle respect benaderen, mevrouw.’

Na enig twijfelen noteerde de vrouw het adres op een stukje papier en gaf het aan René. ‘Ik hoop dat je eindelijk rust vindt, mijn jongen.’

Ze bedankten de vrouw, drukten haar de hand en gingen naar buiten.

‘Nooit geweten dat je zo’n stoere bink was,’ zei Klaas met iets van ontzag in zijn stem.

‘Eentje met psychische stoornissen.’

Bianca lachte. ‘Ach kom nou, René. We moesten toch een binnenkomer hebben.’

‘Ja, ik begrijp het wel. Misschien ben ik ook wel een beetje psychisch gestoord.’

‘Neem van mij aan dat je in een gesticht hoort met tralies voor de ramen en riemen rond je lijf,’ zei Klaas.

‘Wat is het adres?’ vroeg Bianca.

‘Vikingstraat Menen, zonder nummer.’

‘René, zou je het erg vinden als ik vooraan plaatsneem?’ vroeg Klaas poeslief.

‘Ga je gang. Anders komt je er in Menen nog krommer uit dan je al bent.’

Na opnieuw een paar keer de verkeerde richting te zijn uitgereden, vond Bianca eindelijk de weg naar Menen.

‘Wat voor tyfustaal spreken die mensen hier eigenlijk,’ zei Klaas. ‘Ik begreep de helft niet van wat die mevrouw zei.’

‘Wacht tot we in Menen zijn.’ René gaf de nodige aanwijzingen. In het centrum stapte Klaas uit om de weg te vragen. Hij stapte terug in en zei geen woord.

‘Wel?’ vroeg René.

‘Dit lijkt waarachtig het Oostblok. Ik begrijp geen hol van dit mongolenbargoens.’

‘Ik zei het toch. Eruit. Ik zit vooraan.’

‘Ik eet nog liever mijn schoenzolen op.’

‘Daar zullen je schoenen niet blij mee zijn.’

‘Ik vraag de weg wel,’ zei Bianca.

Na meerdere aanwijzingen vonden ze de Vikingstraat, een doodlopende steeg met slechts één huis. Tussen de kasseien tierden welig distels, netels, paardenbloemen, heermoes en weegbree. Bianca parkeerde het wagentje aan het begin uit vrees voor schade aan de vering. Ze liepen naar het huis en belden aan. Er gebeurde niets. Na de derde keer zei René: ‘Ik zag beweging achter een van de gordijnen.’

Bianca belde nog enkele keren, zonder resultaat.

René vloekte.

Ze keerden terug naar de Fiat. Net voor ze zouden instappen, kwamen twee meisjes de hoek om. Bij het zien van het ongewone drietal bleven ze staan.

René herkende hen direct: Sophia, nors en misnoegd, Claudia, vriendelijk en geïnteresseerd. Sophia’s donkere haar zat in een paardenstaart, Claudia’s blonde lokken in talrijke vlechtjes met kralen.

Klaas floot zachtjes tussen de tanden.

‘Wie zijn jullie?’ vroeg Sophia, met de snibbigheid die René kende van vroeger.

Hij ging naar haar toe. ‘Ik ben het, René Nieuwelinck. Dit zijn zuster Virginie en mijn vriend Klaas.’

‘Ik ken geen René Nieuwelinck, en met dat jezusvolk wil ik niets te maken hebben.’

Hij vroeg zich af waar haar bril was gebleven. Haar ogen hadden zich blijkbaar verzoend met elkaar. Waar ze vroeger een beetje van elkaar wegkeken, zagen ze er nu bijzonder normaal uit. Mooi maar verdomd duister. Zo te horen had ze dezelfde rebelse aversie voor religieuzen als Gina destijds.

Claudia stootte zachtjes tegen de arm van haar zus en fluisterde iets in haar oor, waarop Sophia vroeg: ‘Wat doen jullie hier?’

René kwam nog wat dichter. ‘Herken je mij niet? Ik woonde rechtover de Fox. Het vriendje van Gina.’

‘Laat ons met rust.’

‘We willen graag met jullie moeder praten,’ zei Bianca.

‘Moeder ontvangt niemand. En zeker geen nonnen. Ga weg of ik bel de politie.’

‘Ik ken je nog,’ zei Claudia tegen René, ‘ik was een beetje verliefd op jou.’

‘Claudia, hou je mond. Vooruit! Iedereen weg. Te beginnen met dat kloosterwijf.’

‘Ik ben geen kloosterwijf,’ zei Bianca, ze trok een paar speldjes uit de nonnenkap, deed ze af en schudde haar lokken los. ‘Ik heet Bianca. We willen praten met uw mama.’

Claudia glimlachte. Sophia was niet onder de indruk. ‘Waarom deze verkleedpartij?’

‘Dat speelt nu even geen rol.’

‘Ik wist dat er iets niet klopte. Wie is die lange?’

Klaas stak een hand uit. ‘Klaas den Dunnen uit Nederland, meer bepaald uit Sexbierum. Aangenaam.’

Sophia negeerde de uitgestoken hand. ‘Claudia, naar binnen. En jullie, opgehoepeld.’

‘René versperde haar de weg. ‘Waarom Sophia? Waarom wil je niet met ons praten?’

‘Gedane zaken nemen geen keer.’

‘Zijn ze wel gedaan?’

Sophia leek even van haar stuk gebracht en keek van de een naar de ander. Claudia’s kin trok in rimpels. Ze liet haar schooltas vallen en vloog René in de armen. Sophia kwam aarzelend naderbij. ‘Waar bleef je zolang, snotsmoel?’ zei ze. Het werd ijzig stil in de straat, op het gedempte snikken van Claudia na. Bianca en Klaas keken roerloos toe. ‘Nondeju Bianca, straks ga ik ook nog grienen,’ fluisterde Klaas.

‘Kom mee,’ zei Sophia. Ze veegde met de rug van haar hand in haar ogen. ‘Verwacht niet te veel. Zodra ik teken geef, moeten jullie gaan.’ Ze raapte haar schooltas op en ging hen voor.

Bianca struikelde over een kassei en bezeerde haar knie. ‘Verdomme nog aan toe.’

Sophia hielp haar recht. ‘Dat ontbrak er nog aan. Een ketterende non. Je kan beter je kap terug opzetten.’ Ze opende de voordeur en leidde hen via een kort donker gangetje naar een ruime keuken. ‘Wacht hier.’ Ze begaf zich naar de aanpalende woonkamer. Claudia verzorgde Bianca’s knie. Kort daarna kwam Sophia terug. ‘Alleen René.’

Het was donker in de kamer, muf en bedompt alsof er al jaren niet was verlucht. Stofjes dansten in het karige binnen sijpelende licht tussen de gordijnen.

‘Mama, dit is René.’

Uit een hoek van de kamer klonk een kuch.

Sophia wees op een stoel naast een Louis XV tafel. ‘Ga hier zitten.’

‘Dag Lea,’ zei René, niet goed wetend naar welke hoek van de kamer zich te richten.

‘Kom dichter, dat ik u zie.’ De stem klonk hees, rauw en rasperig, de stem van een oude man met een zware longontsteking. Ineens was er licht, van een schemerlamp op een bijzettafeltje naast een fauteuil. Hij knipperde met de ogen. Hij schoof wat dichterbij.

‘Wat ben je groot geworden.’

‘Dat zegt moeder ook altijd.’

‘Hoe is het met Mira?’

‘Nog altijd dezelfde bezige bij.’

Lea hield met één hand een sluier voor haar gezicht zodat hij alleen haar rechteroog en een stukje van haar voorhoofd zag. ‘Volgens Sophia zou ik er zonder jou niet meer zijn.’

Hij knielde en nam haar andere hand, dezelfde fijne hand die hij had vastgehouden toen ze bewusteloos en besmeurd met bloed op de vloer van de Fox had gelegen. ‘Hoe gaat het, Lea?’

Ze verwijderde haar sluier. ‘Oordeel zelf.’

Een rilling trok van zijn staartbeen over zijn ruggengraat tot aan zijn kruin. Beelden van verminkte soldatengezichten uit de eerste wereldoorlog flitsten door zijn hoofd.

Lea drapeerde de sluier terug over haar gelaat.

‘Ik wist niet … ik … ik …’

‘Wat René, dat het zo erg was? Dat ik maar één oog meer heb?’

‘Ik herinner me u als een mooie vrouw, en dat zal altijd zo blijven.’

‘Ik ben een wrak, René, met een stem van een holbewoner, een cycloop in een spelonk van een huis waar geen mens in wil wonen, in de meest ellendige doodlopende steeg van de stad, achter een sluier om zelfs mijn twee overgebleven dochters de aanblik te besparen.’

‘Je kent mijn mening daarover, mama.’

‘Ja, Sophia, die ken ik.’

‘Je dochters houden veel van je. Daar ben ik zeker van.’

‘Waarvoor kwam je?’

René nam terug plaats op zijn stoel, zuchtte diep. ‘Ik weet niet goed hoe erover te beginnen. Ik vraag me al jaren af wat er met Gina is gebeurd.’

Sophia gaf hem een por. Hij zag iets in haar ogen dat veel weg had van bliksemschichten.

‘We weten het niet.’ zei Lea.

‘Heeft ze nooit contact opgenomen?’

‘Nee. Waarom?’

‘Ik wil haar zoeken.’

‘Ik heb me erbij neergelegd dat ik haar nooit meer terug zie.’

‘Mama, we laten je nu alleen.’

Een diepe zucht was het antwoord.

Sophia richtte zich tot René. ‘We laten mama nu met rust!’ Ze opende de deur naar de keuken en wachtte met gekruiste armen.

René nam een laatste maal Lea’s hand. ‘Bedankt, Lea, om mij te woord te staan.’

‘Doe de groetjes aan Mira.’

‘Zal ik zeker doen.’ Hij aaide Lea’s schouder en wenste haar sterkte.

Terug in de keuken, waar Klaas hartelijk zat te keuvelen met Claudia, draaide Sophia zich woedend om naar René. ‘Waarom begon je over Gina?’

‘Ik wil weten of er nieuws is over haar. Is dat zo erg?’

‘Er wordt in dit huis niet over haar gesproken.’

‘Ik ga haar zoeken.’

‘Je bent gek!’

‘Het is mijn volste recht!’

‘Mijn beste Sophia,’ begon Klaas, ‘we hebben het memorabele plan opgevat om …’

‘Zwijg! Waar bemoeien jullie zich mee?’

Klaas hield verbluft zijn mond.

‘Ik verbied het.’

‘Heeft Gina nooit contact opgenomen met jullie, nooit een brief geschreven, gebeld?’ vroeg Bianca.

‘Nee!’

René wuifde met zijn hand. ‘Ik geloof er niets van. Waarom ben je ertegen?’

‘Mama heeft genoeg geleden, en wij ook. Het is een afgesloten hoofdstuk. Als Gina terug wilde komen, had ze dat al lang gedaan. Er is niets dat haar tegenhoudt.’

‘Misschien voelt ze zich schuldig over de dood van jullie vader.’

Sophia kwam vlak voor hem staan. Opnieuw zag hij die felle bliksemschichten die hem zo stilaan de stuipen op het lijf joegen. ‘Vader pleegde zelfmoord. Het onderzoek daarover was duidelijk.’

‘Niet voor Gina.’

‘Misschien kan ze niet terugkomen,’ zei Klaas.

Sophia draaide zich nijdig om. ‘Waarom zou ze niet kunnen?’

‘Omdat ze de verkeerde mensen tegen het lijf liep?’

Sophia was even van haar stuk gebracht.

‘Ze woont in Parijs,’ zei René.

‘Belachelijk.’

‘Ik weet het zeker.’

‘Je weet helemaal niets!’

‘Ze liet me een boodschap na.’

‘Als je het toch zo goed weet, wat kom je hier dan doen? Ga dan naar Parijs. Ik houd je niet tegen. Doe haar de groeten. Adieu! En nu eruit!’

‘Wat heb je te verliezen?’

‘Ja,’ smeekte Claudia, ‘wat hebben we te verliezen? Het kan toch geen kwaad als deze lieve mensen haar willen zoeken?’

‘Ik zeg het nog één keer: eruit of ik bel de politie.’

 

OceanofPDF.com