De Parisienne
Chapitre 2
We’re just two lost souls
Swimming in a fish bowl
Pink Floyd – Wish You Were Here
Bij het naar binnen schuifelen voor de wiskundeles, trok Klaas aan zijn mouw. ‘He, sjappie, kom mee achteraan.’
René nam met tegenzin plaats op de achterste rij. Op het klaptafeltje stond Kilroy was here, daarnaast Mr. Chad met een lulneus. Hij verborg de rest van de vunzigheden onder zijn schrijfblok en speurde in het rond naar Cleopatra.
Klaas tekende een vierkant met kleine rechthoekjes erin. ‘Doe geen moeite, ze is er niet.’
‘Wat doe je?’
‘We spelen de slag bij Midway.’
‘Ben je gek?’
‘Niet bij mijn weten.’
‘Ik wil de les volgen.’
‘Heeft geen zin, man. Je eerste jaar is naar de mallemoer. Teken nou dat vierkant.’
‘Klaas, je bent geschift.’
‘Dat zeggen ze wel meer. Stop met zeiken. Ik ben Nimitz, jij Yamamoto.’
Omdat Klaas bleef jengelen, tekende René ook een vierkant met denkbeeldige slagschepen.
‘B3,’ zei Klaas.
‘Ernaast. C6.’
‘Klootzak. Mijn vliegdekschip in tweeën.’
Het werd al snel een leuk vertier. Af en toe kregen ze vijandige blikken van medestudenten die de les wilden volgen.
Na de les vroeg Klaas: ‘Zin in een filmpje?’
René nam zijn portemonnee en telde zijn geld.
‘Laat zitten, man. Mijn ouweheer betaalt.’
Ze spraken af aan de Leopold.
René bestudeerde de affiches van Histoire d’O. ‘Ze spelen hier seksfilms.’
‘En dan?’
‘Geef ik geen geld aan.’
‘Hoeft niet. Ik trakteer.’
‘Ik ga naar huis.’
‘Wat een jezuïet. Wacht. We gaan wel iets anders zien.’
Ze gingen naar de Scoop en zagen Trash. Na afloop vroeg René zich af of hij toch niet beter Histoire d’O had gekozen. Daar speelden tenminste nog schone vrouwen in mee. Klaas daarentegen was uitgelaten en schreeuwde vol enthousiasme de Vlaanderenstraat wakker. ‘Best film ever!’
‘Een flutfilm. Een en al vuilnis. Zeer toepasselijke titel trouwens.’
‘Spuiten, snuiven en wippen met de wijven. Wat wil je nog meer?’
‘Zijn dat je levensambities?’
‘Een mens moet ergens beginnen.’
‘Eén gore troep.’
‘Dat heet realisme, beste kerel.’
‘En zo donker als de hel.’
‘Het wás de hel. Je begrijpt echt geen hol. Hoe heet je ook alweer?’
‘Nieuwelinck.’
‘Je bent een druiloor, Nieuwelinck. We gaan naar de Heremiet. Je humeur wat oppeppen.’
In de Heremiet was het pokkedruk. De rook van pijpen en sigaretten was om te snijden. Ze vonden een plaatsje in een hoek naast de toiletten. Telkens als de deur openzwaaide kregen ze een walm urine over zich heen. Uit de stereo loeide Whole Lotta Love van Led Zeppelin. Klaas wurmde zich door de menigte naar de toog en kwam terug met zes glazen bier. ‘Wat een teringherrie.’
‘Nog een meisje opgescharreld gisteren?’ vroeg René.
‘Nee, jullie Vlaamse troela’s lijken allemaal nonnen, zo preuts als wat.’
‘Waar woon je eigenlijk?’
‘Op de Vrijdagmarkt.’
‘Ik bedoel: waar kom je vandaan?’
‘Nederland.’
‘Tiens. Had ik nog niet gemerkt.’
‘Sexbierum.’
‘Seksbier?’
‘Sexbierum!’
‘Zeveraar. Wat is dat voor een plaats?’
‘Niks zeveraar. Sexbierum. In het noorden van Nederland.’
‘Bij jou draait alles om seks.’
‘Achterlijke gladiool.’
Na één pint was Renés stem schor van het roepen. Nu en dan ving hij een glimp op van een knappe blondine aan de toog. Ze droeg een abrikooskleurig mantelpakje en ze paste helemaal niet in het decor. Ze amuseerde zich mateloos met een stel langharige jongens.
‘Fraaie griet, niet?’
‘Die zag je ook alweer.’
‘Een leven als telefoonmast heeft zo zijn voordelen.’
De vrouw kwam hun richting uit op weg naar de toiletten. Toen ze René in het voorbijgaan opmerkte gleed er een verbaasde blik over haar gezicht.
‘Verdomd wat een wijf. In die haar roompotje wil ik ook wel eens roeren.’
‘Kan het nog schunniger?’ René nam een flinke slok bier.
De blondine kwam terug uit de toiletten en bleef staan voor hun tafel. ‘Zo, zo. Als dit de kleine Nieuwelinck niet is.’
René verslikte zich en proestte het bier terug in zijn glas. Hij keek op. ‘K… ken ik u, mevrouw?’
Klaas schoot in een kramp.
‘Zou wel eens kunnen, ja.’
René bekeek haar verbaasd en schudde het hoofd, bedwelmd als hij was door haar parfum. Iets met bloemen.
‘Bianca, we vertrekken.’ klonk het aan de toog.
‘Ik kom,’ riep ze terug. ‘Wel, wel, wel. Wie had dat gedacht. Daag.’
Bianca? Hij kende niemand met die naam. Misschien verwisselde ze hem met iemand anders. Alleen … hoe kende ze dan zijn naam?
Hij keek haar na. Ze had erg mooie benen. En wat een taille, zo smal, en heupen, zo rond. Wat een mooie vrouw. En ze kende hem. Hoe dan?
Klaas gierde het uit. ‘Wie zegt nu “Ken ik u mevrouw” tegen het schoonste mokkel in de keet.’
‘Ik heb echt geen flauw idee.’
‘Denk na, joh. Zo’n stoot moet je toch kennen. Als je haar eenmaal hebt gezien, vergeet je haar nooit meer.’
René schudde het hoofd, hoewel hij moest toegeven dat iets aan de vrouw hem vertrouwd voorkwam.
‘Wat een rund. Wordt aangesproken door Britt Ekland in hoogsteigen persoon en herkent haar niet eens. Kom, geef me geld. Jouw beurt om te betalen.’
René gaf zijn portefeuille.
Even later daagde Klaas op met een nieuwe vracht bier. Hij legde de portemonnee op tafel. ‘Dit is te gek voor woorden.’
Algauw kwam een flinke nevel opzetten in Renés hoofd. Herinneringen zonken weg in een drab van bier en alcohol. Noodgedwongen stopte hij met graven in zijn geheugen. De vrouw bleef een raadsel. ‘Klaas, hoe zit dat met die valpartij van gisteren? Neem je drugs?’
‘Kan jij ouwehoeren zeg.’
‘Wat doe ik als je nog eens omvalt?’
‘Ik val niet om.’
‘Steek ik een stok tussen je tanden?’
‘Ik ben geen hond, weet je.’
‘Heb je epilepsie?’
‘Van alle domme Belgen loop ik uitgerekend de grootste badmuts tegen het lijf. Zoiets overkomt alleen mij.’
‘Belgen zijn niet dommer dan Hollanders.’
‘Dat zijn ze wel.’
‘Waarom kom je hier dan studeren?’
‘Kloothommel.’
‘Vertel op.’
Klaas zuchtte. ‘Als ik heel erg schrik, verstijf ik en val om. Dat is alles.’
‘Gebeurt dat vaak?’
‘Denk je dat ik het bijhoud in een register?’
René dronk zijn bier uit en geeuwde. ‘Ik ben moe. Ik ga naar mijn kot.’
Ze stonden op en wurmden zich een weg naar buiten.
‘Doei, eikel.’
Tien stappen verder hoorde René het vertrouwde: ‘Kut. Kut. Kut!’
Hij keek om.
‘Wacht nou even. Ik ga met je mee.’
‘Om wat te doen?’
‘Ik slaap bij jou vannacht. Ik vergat mijn sleutels.’
‘Je kan toch aanbellen?’
‘Het is twee uur. De conciërge vermoordt me. En op straat slapen doe ik niet.’
‘Er zijn anders bruggen genoeg.’
‘Behandelt Nieuwelinck zo zijn beste maatje? Ik ga mee. Basta.’
‘Ik heb maar één bed.’
‘Heb je een tapijt?’
‘Ja.’
‘Perfect.’
Een kwartier later stommelden ze samen de trap op naar Renés kamer. ‘Sinds wanneer ben je mijn beste maatje?’
‘Lul niet. Ssst…’
In de kamer van Jean klonk klassieke muziek. Klaas legde zijn oor tegen de deur. Fluisterde. ‘Het vijfde pianoconcerto van Beethoven.’
‘Maak voort Beethoven, straks is iedereen wakker.’
Klaas klopte op de deur en stak ze open.
‘Klaas, verdomme.’
‘Mag ik even meeluisteren?’ vroeg Klaas, alsof hij Jean al jaren kende.
Jean, languit op een floeren sofa, nooit te beroerd voor laatavondbezoek, nodigde hen naar binnen.
Klaas positioneerde zich vlak voor de boxen. ‘Mag het iets luider.’
‘Liever niet.’
‘Dit is het mooiste fragment, man. Hier ga ik van grienen.’ Als een volleerde concertmeester, een denkbeeldig dirigeerstokje in de hand, begeleidde hij de overgang van het adagio naar het rondo.
‘Iets drinken?’ vroeg Jean aan René.
René knikte. ‘Doe hem maar hetzelfde.’
Jean goot drie glazen Calvados vol.
Na de finale ging Klaas zitten, zwetend als een kolenstoker, zijn Einstein kapsel verwaaid in de vier windrichtingen. ‘Dit is waarlijk goddelijk. Proost.’ Hij sloeg zijn glas in één keer achterover. Zijn ogen vielen op Jeans bakken vol elpees. ‘Wow. Dit is puur goud, kerel.’
Jean knikte tevreden. ‘Neem gerust een kijkje.’
Klaas begon in de platencollectie te scharrelen en ratelde honderduit over de genialiteit van Bob Dylan.
De fles Calvados slonk intussen alsof er een lek in zat. Tegen vieren – de fles was toen al een tijdje alleen op avontuur over de vloer – namen ze afscheid en gingen naar de kamer van René.
Klaas waaide van de ene muur naar de andere en bleef staan voor de zuiderse met de lelieblanke borsten. ‘Hola. Nieuwelinck heeft hier ferme grieten aan de muur. Wordt aangesproken door het knapste wijf van Gent en beweert haar niet te kennen. Misschien ben je toch niet zo’n sukkel maar een fielterige Don Juan.’
René trok zijn kleren uit en kroop onder de lakens. ‘Veel plezier met het tapijt.’
‘Weet je, Nieuwelinck. De wereld zou er veel beter uit zien zonder sukkels.’
‘Hangt af van de definitie van sukkel.’
‘Simpel. Wie geen genie is, is een sukkel.’
‘Waar trek je de lijn?’
‘Tussen jou en mij.’
‘Wie luistert er dan naar je verheven filosofieën?’
‘Eikel.’
Klaas ging liggen en draaide zich rolmopsgewijs in het tapijt. ‘Weet je, Nieuwelinck. De wereld …’
‘Klaas?’
‘Ja.’
‘Hou je mond.’
René sloot de ogen. Zijn bed tolde rond als een sloep op een oceaan bij stormweer. Hij dacht aan de blonde vrouw in de Heremiet. Ze deed nog steeds geen belletje rinkelen. Van de vrouw dobberden zijn gedachten verder naar Gina. Op een vreemde manier leken beide verband te houden met elkaar. Hij opende het nachtkastje en nam er een gouden medaillon uit. Hij klapte het open en werd ondanks zijn zeeziekte melancholisch bij het zien van Gina’s vervagende gezichtje. Waar was ze? Leefde ze nog? Met het medaillon op zijn borst viel hij in een onrustige slaap.
OceanofPDF.com